Blogs en artikelen

Dodenherdenking

Sinds drie jaar realiseer ik me pas echt dat mensen die de oorlog meemaakten, tot een uitstervende generatie behoren.

In maart 2015 overleed voormalig verzetsman Piet van den Hoek op 93-jarige leeftijd. Vanwege zijn inzet tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij in 1948 onderscheiden met de Militaire Willemsorde.  Zijn bijdragen aan de Dodenherdenking waren altijd indrukwekkend.

Precies in die periode was ik betrokken bij de festiviteiten rondom de 70-jarige herdenking van de bevrijding. Dat hij daar naar uitgekeken had, maar er zelf niet mee bij zou zijn, was op een bepaalde manier confronterend.  Postuum bracht ‘zijn’ stichting Omzien & Gedenken nog een verhalenboek uit. Het voorwoord daarin was half afgemaakt door hemzelf.

Tijdens de Dodenherdenking in datzelfde jaar zaten alleen Sjaan Westerhout en Ies Zonneveld op de gereserveerde stoelen voor het voormalige verzet. In 2017 overleden zij beiden. Vanavond stonden er voor het eerst géén stoelen meer voor het voormalig verzet. Werd er géén krans meer gelegd namens het voormalig verzet. Ook dat was confronterend.

Generaties komen en gaan, herinneringen blijven. Dat is nu eenmaal zo. Met elke generatie die verdwijnt, verdwijnen ook levende herinneringen. Steeds meer merken we dat herinneringen van verzetshelden, overlevenden en tijdgenoten verstommen. Hun woorden en emoties gaven de naoorlogse generaties een gevoel van urgentie: ‘opdat wij niet vergeten’.

Nu de oorlog steeds verder achter ons komt te liggen, horen  we steeds minder van die ervaringen uit de eerste hand. Maar intussen staat de tijd niet stil, de Tweede Wereldoorlog was niet de laatste oorlog. Bewust of onbewust denken we met Dodenherdenking ook aan andere oorlogen, conflicten en slachtoffers wereldwijd. Voor wie zelf geen herinneringen heeft aan ‘de oorlog’, komt herdenken op deze manier misschien wel het dichtst bij. Over de recente of hedendaagse conflicten weten we immers het meest. Toespraken en beschouwingen geven ook aan die gevoelens vaak woorden in de dagen rond 4 mei.

Maar elk weldenkend mens voelt aan dat we met Dodenherdenking in de eerste plaats de miljoenen slachtoffers herdenken van een gebeurtenis die zijn weerga niet kent. Zo begon deze plechtigheid, meteen na de Tweede Wereldoorlog, en zo leeft die nog steeds voort. Nu de stemmen van ooggetuigen verstommen, is het des te belangrijker is dat we de herinneringen levend houden en verhalen doorgeven. Alleen zo voorkomen we dat het geluid van lawaaimakers ook de stilte van oorlogsherinneringen gaat overschreeuwen. 


Altena of Almerwaard: wat niet weet, deert juist wel

Blijft het gewoon ‘Altena’ – waar we eigenlijk al lang van uitgingen – of gaan we voor het nieuw bedachte ‘Almerwaard’. Of kiezen we voor de bekende, maar ook wel een beetje weinigzeggende klanken van Maas en Merwe?

Almerwaard is leuk, meer dan leuk zelfs. ‘Een mooie naam, een melodieuze naam, een naam met een ziel’, zo jubelt het eindrapport van de naamcommissie. ‘Het definieert het grondgebied van de drie gemeenten misschien wel het beste van alle inzendingen: het is een waard – een gebied tussen de rivieren – met de Alm als belangrijke historische verbindingsroute die de regio doorkruiste.’ Wat wil je nog meer.

En Maas en Merwe. Tja. Niet onaardig, want de naam dekt de lading wel zo’n beetje. Als je althans weet dat Maas en Merwe(de) de onder- en bovengrens van het gebied vormen, want dat moet je ook maar net weten. Maar Merwe dan. Moet je nu echt een gemeente die zich klaarstoomt voor de toekomst tooien met de naam die je alleen in archiefstukken nog tegenkomt?

Almerwaard of Maas en Merwe, ze zijn het niet. Ik begeef me als historicus nu op glad ijs, dat realiseer ik me. Ik besef dat het huidige Altena groter is dan het toenmalige Land van Altena. De heren van Altena hadden tenslotte maar over een klein deel van het Altena 2.0 iets te zeggen. Maar het is niet anders. Ik vind Altena toch nog steeds de beste naam. Al het verzet van sommige gewaardeerde streekgenoten ten spijt.

Lees ook: Herindelingsperikelen in de jaren ’90.

Want who cares. Het vroegere Werkendam is ook maar een stukje van het huidige Werkendam, nadat in 1950 al het tweelingdorp De Werken bij Werkendam gevoegd werd. Wie hoor je daar nog over? (Jawel, oude Werkendammers, bij wie het in het paspoort staat.)

Wie zich wel zorgen zou kunnen maken: het makelaarskantoor Maas en Merwe uit Wijk en Aalburg. Straks gaat de nieuwe gemeente ‘Altena’ er zomaar met haar naam vandoor. Weliswaar ligt de domeinnaam al vast, maar de fusiegemeente zal dan een geduchte concurrent worden, al is het maar in de Google-ranking.

Daar valt overigens nog wel een wereld te winnen. Tot nu toe wordt op de combinatie zelf niet overmatig veel gezocht. Typ ‘maas en merwe’ in, en je krijgt pagina’s vol treffers, maar uiteindelijk slechts voor de 100 tot 1000 mensen die ernaar zoeken.  De zoekterm ‘altena’ daarentegen ligt veel beter in de markt. Volgens de zoekwoordenplanner van Google Adwords wordt minimaal 10.000 keer per maand op deze term gezocht, met een bovengrens van 100.000. (Nauwkeuriger kan ik het helaas niet uitzoeken.) Dat geldt ook voor ‘biesbosch’, hoewel de combinatie met ‘altena’ tot nu toe niet gangbaar is. ‘Almerwaard’ is niet bekend bij Google. Ofwel, daar heeft nog nooit een mens naar gezocht.

En dat is dan misschien ook wel de beste reden om niet voor Almerwaard te kiezen. Een nieuwe gemeente moet geen volstrekt nieuwe naam krijgen. Als drie gemeenten verder gaan, is continuïteit in de naamgeving niet alleen goed voor het vertrouwde gevoel maar ook voor de naamsbekendheid. Wat niet weet, wat niet deert – en dat geldt nu juist niet voor de nieuwe naam van de fusiegemeente.

Altena dus. Of eventueel Altena Biesbosch, omdat de tweede naam een mooie toegift is. Maar dat is het dan wel. Ik kan me niet voorstellen dat de gemeenschap anders denkt. Maar je weet het nooit met referenda…


Herindelingsperikelen in de jaren ’90

De regio stond op z’n kop. De Biesbosch zou verdwijnen! Niet uit het landschap, maar wel van de Altenase kaart. Werkendam en Dussen zagen een belangrijk deel van hun grondgebied aan een naburige gemeente toebedeeld worden. En Aalburg kwam ook in opstand vanwege naderende fusie met Woudrichem.

Nou ja, het waren nog maar plannen, begin jaren ’90. De herindelingskoorts had weer eens toegeslagen. Onder leiding van G.J.A. Schampers, burgemeester van Schaik en in de wandelgangen ook wel bekend als de Schrik van Brabant, werd de gemeentelijke kaart van Brabant stevig opgeschud. Talloze gemeenten moesten het veld ruimen.

Herindeling 1973
Voor het laatst was fusie aan de orde geweest in 1973. Het aantal gemeenten in het Land van Heusden en Altena was van tien (!) naar vier gegaan. Aalburg, Dussen, Werkendam en Woudrichem bleven over. Al tijdens het Kamerdebat over deze herindeling vonden de grote partijen aanvankelijk dat één Altena-gemeente beter was voor het gebied. Maar gezien de grote eenstemmigheid ging de Tweede Kamer unaniem akkoord met het alternatieve plan om te komen tot vier gemeenten.

In 1992 kwam de commissie-Schampers dus met een serieus onderzoeksrapport dat adviseerde Werkendam en Dussen samen te voegen, evenals Woudrichem en Aalburg. Het Biesbosch-deel van Werkendam en Dussen kon dan aan de gemeente Made en Drimmelen toegewezen worden.

In actie voor de Biesbosch
Nog in hetzelfde jaar richtten streekgenoten het comité ‘Altena en Biesbosch is Eén’ op. Ze vonden op z’n minst dat de Biesbosch bij Altena moest blijven en ze pleitten ook voor één gemeente Altena. Enkele maanden later voegde een nieuw comité zich in het protest tegen de herindelingsplannen van de provincie. Onder leiding van Thomas Westerhout kwam het comité ‘Biesbosch bij Land van Altena’ op voor de onlosmakelijke band van de Biesbosch met het Land van Altena. (Eén grote Altena-gemeente was niet de inzet van dit comité.)

Opmerkelijk genoeg moedigde de provincie de vorming van één grote Altena-gemeente niet aan. ‘Daar moeten jullie heel goed over nadenken’, benadrukte gedeputeerde Van Nistelrooij. En voor andere plannen moest volgens hem dan veel draagvlak zijn. In tussentijd haalde het comité van Thomas Westerhout ruim 8.000 handtekeningen op en leverde het benodigde pakket aan draagvlak voor alternatieve plannen. Het was inmiddels april 1993. Wellicht onder de indruk van het verzet, verklaarde het provinciebestuur dat de bestaande Biesbosch-grenzen gehandhaafd zouden blijven. Ook Aalburg mocht als zelfstandige gemeente verder, fusie was niet nodig.

Hogerhand
In tussentijd was staatsecretaris Van der Vondervoort van dat laatste nog niet zo zeker. Tot medio 1995 bestond de kans dat Aalburg en Woudrichem van hogerhand toch één gemeente moesten vormen. Maar Aalburg knokte voor zelfstandigheid. Werkendam en Dussen legden zich neer bij herindeling en bereidden inmiddels een fusie voor. Mits de Biesbosch maar bij Werkendam zou blijven. En dat kon geregeld worden. Uiteindelijk besloot de Tweede Kamer om een streep door de fusie tussen Woudrichem en Aalburg te zetten. Aalburg gaf een feestje. Iedereen blij. Behalve dan de staatssecretaris.

Inmiddels herhaalt de geschiedenis zich. Dezelfde argumenten worden weer van stal gehaald. Wat in de jaren ’90 al voorzichtig geopperd werd, is nu dé inzet van de discussie: komt die ene Altena-gemeente er? Dat de finale ontknoping nu heel dichtbij lijkt te zijn, mag duidelijk zijn. Maar je wéét het nooit.

Foto: Gemeente Altena


Mini-expositie en primeurverkoop ‘Kerken in het zaaltje’

Op 10 oktober verschijnt mijn boek ‘Kerken in het zaaltje’, een publicatie over 75 jaar geschiedenis van de (voormalige) Hervormde Evangelisatie en de Vrije Hervormde Gemeente te Werkendam. Ter gelegenheid daarvan is op zaterdag 10 oktober in het Andries Visser-huis een mini-expositie ingericht. Tevens is het de eerste gelegenheid om het boek aan te schaffen. De mini-expositie licht 25 foto’s uit die ook in het boek gepubliceerd zijn. Daarnaast worden enkele archiefstukken geëxposeerd. Onder het genot van een hapje en een drankje kunt u zo kennismaken met een stukje Werkendamse kerkhistorie. Het boek kost € 19,95 en zal vanaf 12 oktober ook in diverse regionale boekhandels te koop zijn. Daarnaast is het rechtstreeks te bestellen via www.keesvreeken.nl/kerkeninhetzaaltje. De mini-expositie is te bezichtigen vanaf 10.00 tot ’s middags 16.00. Locatie: Slikstraat 15, Werkendam.


Brabander of Hollander?

Voel jij je meer Brabander of meer Hollander, vroeg Hannie Visser (@hanviskie) me al eens. Ik had geen idee. En zoiets heb ik ook gezegd. Onlangs vroeg ze het opnieuw, nu vanwege het Erfgoeddebat op 11 september in Fort Altena. En of ik daarover iets wilde vertellen voor de camera. Dan wordt het wel heel serieus. Dus ging ik serieuzer over deze vraag nadenken.

Om meer body aan het antwoord te geven, keer ik terug naar mijn roots. Dat is voor mij de enige manier om meer feeling met de vraag te krijgen. Brabants zijn die roots bepaald niet. Opa Vreeken is geboren en getogen in de Haarlemmermeer. Oma Vreeken (Van den Hoek) kwam ook ter wereld in Noord-Holland (Anna Paulowna), maar dat was kort nadat haar ouders vanuit het Zeeuwse in die regio waren neergestreken. Opa en oma Wemmers (Vlot) kwamen beide uit de Alblasserwaard – dus uit Zuid-Holland. Kortom, op de één of andere manier kwamen Noord-Holland, Zeeland en Zuid-Holland in Brabant terecht.

Ik kom overigens nooit in Noord-Holland. Althans, niet om familieredenen. En dat was vroeger al niet anders. Of het moest het jaarlijkse bezoek aan Schiphol zijn, waarbij we altijd even door Hoofddorp reden, langs het huis waar mijn grootouders tot de jaren ’80 woonden. Dat huis bestaat inmiddels niet meer en de tijd is voorbij dat vliegtuigen spotten nog een leuk uitje was. In de Alblasserwaard kom ik nog wel geregeld, omdat mijn familie van moeders zijde daar bleef hangen en omdat het een stukje dichterbij is.

Met zulke roots ben je misschien een Hollander van oorsprong en een Brabander van geboorte, maar hoe voelt dat dan eigenlijk? Elk antwoord lijkt op een cliché. Waarschijnlijk voel ik me nog het meest Werkendammer. Omdat het dorp aan de Merwede tot nu toe mijn enige woonplaats is geweest. De eerste stapjes buiten de deur zette ik hier. De eerste vriendjes en vriendinnetjes maakte ik daar. Het is de enige plek waar ik alle straten weet. Dat allemaal moest wel onuitwisbare herinneringen nalaten. En díe herinneringen maken me tot wat ik het meest voel: inwoner van Werkendam. En dat heeft weinig met chauvinisme of kleinburgerlijkheid te maken, maar alles met psychologie.

Maar Werkendam is niet echt Brabant. Hoe je het ook wendt of keert op de kaart. Dus toen ik voor de camera stond, wist ik het ineens. Hoe boeiend de Brabantse geschiedenis ook is, ik voel me geen Brabander. Daar ben ik te weinig Brabants voor.

Ik heb maar één Brabants tikje meegekregen. Ik zeg: houdoe.

 


Kasteel te Merwede, infobordje op de ruïne

Ik ontdekte een kasteel

Je kunt er jarenlang voorbij rijden en het gewoon niet zien. Nu is het sowieso opletten op de Randweg Dordrecht, ter hoogte van de Merwedeburg bij Papendrecht. Het zal niet de eerste keer zijn dat een argeloze automobilist zijn bezoek aan Dordrecht moet bekopen met een incasso van het CJIB. Maar dat bedoel ik niet. Ik heb het ook niet over de ark van Noach die op een zeker moment vanaf deze brug te zien was. Best aardig, maar toch vooral voor de liefhebber – en niet voor mij.

Het is namelijk veel mooier, veel indrukwekkender. Vast niet voor iedereen, maar wel voor mij. Vanaf de A15 op de N3 richting Dordrecht ligt aan de linkeroever, aan de Dordtse kant, de oudste kasteelruïne van Nederland. Kasteel (eigenlijk: Huis) te Merwede, al sinds de Sint Elizabethsvloed een stille getuige van eeuwenlange ontwikkeling en vooruitgang langs de Merwede. Het was haar sinds 1421 niet meer vergund deelgenoot daarvan te zijn. Een toeschouwersrol restte. Maar zelfs dat heb ik over het hoofd gezien.

Zomaar ineens besloot ik me te verdiepen in de ontstaansgeschiedenis van de Biesbosch en terloops kwam daar het bestaan van Huis te Merwede voorbij. De overblijfselen staan er nog steeds, las ik, en Wikipedia bevestigde dat. En zomaar ineens besloot ik een kijkje te nemen bij wat rest van Huis te Merwede.

***

Op mijn laatste vakantiedag stap ik in de auto. Op weg naar het kasteel, tegenwoordig gelegen op het uiterste puntje van industrieterrein De Staart. Ernaast een moderne gevangenis, er tegenover een McDonalds. De nieuwe tijd heeft het gebied niet met rust gelaten. De toegangsweg naar de ruïne lijkt een beetje sinister, maar dat moet aan mij liggen. Terwijl ik daar loop, voelt het alsof mijn laatste uurtje geslagen is. Ook dat is vast suggestie. Ik zie groen, maar ik zie nog steeds geen kasteel. Pas als ik het kleine parkeerplaatsje oploop, zie ik wat ik zoek… Het valt mee en het valt tegen. Het is eigenlijk te mooi om waar te zijn. Het verval is al ruim een decennium stopgezet. Want ruïnes zijn in deze eeuw – gelukkig – historisch erfgoed geworden, bedoeld om te bewaren.

Terwijl ik daar sta, langs een westwaarts stromende Merwede, mijmer ik over de tijd die hier voorbijtrok. Over de ridders Te Merwede, een familie van omhooggevallen edelmannen. Ooit woonden ze dichter in de richting van de stad, maar dat duldde Dordrecht niet. Er rolden koppen, men verzoende zich, maar de familie besloot te vertrekken, enkele kilometers verderop. Noem het een gentleman’s agreement. Adel in de stad lag altijd een beetje gevoelig bij machtsgeoriënteerde regenten. Op veilige afstand, maar in een strategische positie en nog steeds heel dichtbij Dordt, bleek het Huis ook bedreiging voor de stad. Tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twisten koos het kasteel partij tegen Dordrecht. Jacoba van Beijeren (die van Woerkum) gebruikte het als uitvalsbasis. En ze verloor, de stad nam het Huis. De Sint Elizabethsvloed, enkele jaren later, gaf de genadeslag. Bevolking van Dordrecht maakte dankbaar gebruik van de kasteelruïne om haar huizen te bouwen. Het kringetje was rond.

***

Maar wat koop je daar nu voor, zulke mijmeringen. Ik besluit om terug te lopen. Naar de McDonalds. Over desillusie gesproken.


Bittere bevrijding

Vandaag is het 70 jaar geleden dat vernietigingskamp Bergen-Belsen bevrijd werd. Op 15 april 1945, de 14e nissan in de joodse jaartelling. Het voormalige concentratiekamp Bergen-Belsen bestaat niet echt meer. Direct na de bevrijding is alles platgegooid, uit angst voor verdere verspreiding van tyfus en luizen. Op de plek van de barakken rusten nu de doden. Bergen-Belsen is Gedenkstätte geworden. Vorige maand was ik daar.  

Op een gedenksteen ter gelegenheid van één jaar bevrijding, zie ik deze datum staan. 15 april, 14 nissan. Ik heb niets in de gaten, overweldigd als ik al ben door de aanblik van zoveel versteende verschrikking. Mijn reisgenoot merkt het op. ‘Dat is op Pesach’.

Zekerheidshalve kijken we het na. Op onze iPhone, terwijl we tussen de massagraven staan. Maar het klopt echt. Bergen-Belsen werd door de Britten bevrijd op 14 nissan 5706. Het joodse Pesach. Het komt binnen als schurende symboliek.

Een huivering overvalt me. Bevrijdingsdag op Pesach, voor een handjevol mensen dat het geluk had te overleven. Bevrijdingsdag, op het feest van de uittocht. Als in herinnering wordt gebracht hoe het joodse volk ontkwam aan de slavernij van de farao.

Pesach. Het betekent voorbijgang. Toen de doodsengel het nageslacht van Jacob in leven liet omdat het lammetjesbloed langs de deurpost liep. Ongezuurde broden, matses, gedoopt in bittere saus.

Bittere ironie ook. Overleven op Pesach. Tussen de gestapelde lijken, waar bijna niemand overleefde.

Ik kijk om me heen. De herinneringssteen van Margot en Anne Frank, geplaatst door vader Otto Frank. Hij verloor vrouw en al z’n kinderen en hield niemand over. Ik zie de massagraven, als gebulte loopgraven kriskras door het veld.

HIER RUHEN 500 TOTEN. APRIL 1945

Even verderop 5000 doden in één graf.

1500 doden.

2500.

‘Het zwaarst geschut en ’t best geweer kan op het slagveld voordeel geven. Hier hielp geen kracht van wapens meer geen strijd hier leed een volk voor ’t leven’ – aldus een Nederlandse tekst op de gedenkmuur.

Even verderop staat een houten kruis. Gemaakt door Poolse vrouwen op de dag van de bevrijding, gebruikt bij hun dankdienst. Omgeven door dood en verderf.

Op dat moment snap ik het niet meer. Bittere ironie blijkt ook iets van Goddelijke mysterie te zijn. Omdat men bleef geloven, zelfs in de zwartste nacht.

Ik ben er nog steeds een beetje stil van.

 

 

 


Stelligheid

Sommige mensen kunnen zo uitermate stellig zijn. Over de politiek, over de kerk, over het geloof, over de ander. Ik kan dat niet. Nou ja, ik kan het best, maar dan hooguit op Twitter. Om zoiets als sociale media nog een beetje spannend en sprankelend te houden.

Maar in het echte leven kan ik het niet. Niet meer, beter gezegd. Ik vraag me regelmatig af of het ooit anders was. Volgens mij was dat zo. Ik had over veel zaken een stellige mening. Nu, achteraf, vraag ik me af of daar ook een even stellige overtuiging aan ten grondslag lag. Waarschijnlijk niet.

Stellige meningen zijn meestal een gevolg van onzekerheid. Omdat je niet helemaal zeker bent van je gelijk en de consequenties van een eventueel ongelijk nog niet te overzien zijn. Dat gevoel van onzekerheid kan overstemd worden door een stellige mening.

Stelligheid is op zichzelf niet zo’n probleem. Het geeft het debat een beetje sjeu en scherpt de ander in z’n overtuiging. Maar zodra stelligheid bedoeld is om te overrulen, vormt het wel een probleem. In de politiek, in de maatschappij, in de kerk en in de persoonlijke levenssfeer.

Stelligheid in het geloof is misschien nog wel het gevaarlijkst. Het is het minst te onderbouwen en daarom het meest te herleiden tot onzekerheid. Hele denominaties ontstonden omdat stellige uitspraken werden gedaan over wat nauwelijks onder woorden te brengen is. Hoe hier en nu verbonden zijn met daar en ginder, aan gene zijde.

Als stellige meningen verdwijnen, kunnen overtuigingen wel eens aan diepgang winnen.

 


De verdwijnende zwart-wit-foto-generatie

Ooit kende ik een man van 101. Hij zat bij ons in de kerk. Ik had een soort van heilig ontzag voor hem. Want als ik terugrekende, bleek hij nog geboren te zijn in de 19e eeuw.  Het verschil in leeftijd tussen mij en deze stokoude was misschien wel negentig. Hij overleed op 101-jarige leeftijd.

Onlangs was ik opnieuw bij een 101-jarige. Onwillekeurig rekende ik weer terug, net als toen. Ze is van 1914 en werd nog voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog geboren. Opnieuw maakte een bijzonder gevoel van sensatie zich van mij meester. Ze is een nog levende schakel met een tijdperk waarin de wereld onomkeerbaar veranderde.

Toen ik een jaar of 10 was, maakte het leeftijdsverschil en de link met een eeuw die ik nooit meegemaakt heb, heel veel indruk. Het leeftijdsverschil wordt steeds minder indrukwekkend naarmate mijn eigen tijd ook niet stilstaat. Hoe vreemd het ook klinkt, maar ik realiseer me dit nog maar sinds kort. Of beter gezegd, ik wist het al wel maar het landde ineens.

Een zelfde soort melancholie overviel me toen onlangs oud-verzetsstrijder Piet van den Hoek overleed.  Hij verbond alleen al door zijn er-nog-zijn het heden met het verleden. Een verleden dat het recht heeft om nooit vergeten te worden. Dat hij vanuit levende herinnering zijn verhaal geregeld deelde, maakte de impact des te groter.

In 2015 herdenken we de 70e verjaardag van Bevrijdingsdag. De mensen die de bevrijding als volwassenen meemaakten, zijn minstens negentigplus. Alle ouderen jonger dan negentig zijn weliswaar bejaard, maar kennen de oorlog slechts van hun kindertijd.

Het duurt niet eens zo gek lang meer of de generatie van de zwart-witfoto’s bestaat niet meer. Het wordt hoogtijd die verhalen vast te leggen, voor het niet meer kan.

En ja, ook nog eens, voordat wij zelf een verhaal uit het verleden zijn.

 


Denken wat je zegt

Ik weet niet goed hoe ik het heb met die vrijheid van meningsuiting. ‘Je moet niet zeggen wat je denkt, maar denken wat je zegt’, leerde ik vroeger. Zeggen wat je denkt, is het tegenwoordig vooral. Denken wat je zegt, denken vóórdat je iets zegt, is een beetje passé.

Ik heb nog nooit begrepen waarom we te vuur en te zwaard het recht verdedigen om de ander te belasteren. Om dat wat hem heilig is te grabbel of te krabbel te gooien. Vuur en zwaard willen ‘onze’ vrijheid beperken, maar worden in spreekwoordelijke zin overgenomen door de apologeten van de ongeremde pen en stem.

Nog maar twee weken geleden waren we allemaal Charlie. Inmiddels hebben we daar al weer een beetje afstand van genomen. We zijn niet allemaal Charlie, want we stonden niet achter Charlie. Ook al verafschuwen we elke vorm van monddood maken.

Want alles moet gezegd kunnen worden. Maar, in vredesnaam, waarom zou je alles willen zeggen? Het recht om te kwetsen, is dat echt een principe om voor te sterven? Is dat echt de ultieme vorm van vrijheid?

Voor mij niet. Vrede houden met alle mensen, dat is een grootser principe. Ik mag alles denken, maar ik hoef niet alles te zeggen. Dient het de vrijheid om te zeggen wat je denkt? Nee! Je maakt dan slechts gebruik van die vrijheid. Is het een zwaktebod om soms niet te zeggen wat je denkt? Nee! Maar het vereist wel krachttraining. Alleen zo hebben de echte zwakkelingen het nakijken.


Projectie

Het is één van de bekendste argumenten tegen geloof en religie: God en godsbeeld zijn een projectie van de menselijke geest. We geloven in een goede, almachtige, reddende God omdat we ons graag zo iemand voor ons zien. Een religie van wensdenken en droombeelden.

Soms (zo niet: regelmatig) ben ik gevoelig voor deze gedachte. Veel religies, inclusief christendom, bevatten elementen die aansluiten bij de diepste behoeften van de mens. Geborgenheid, gerechtigheid, barmhartigheid, we zoeken graag naar een ideaalbeeld daarvan buiten onszelf. Dat kan ook juist een diepste bewijs zijn van het Godsbestaan, zoals bijvoorbeeld C.S. Lewis verdedigt, want God heeft dit verlangen gewoonweg in de mens gelegd. Maar het is niet m’n bedoeling een apologetische discussie te starten. Punt is dat projectie in de praktijk wel degelijk een rol kan spelen, of de herkomst nu Goddelijk of menselijk is.

Toen ik vandaag berichtgeving over de nieuwe mediacampagne van de Remonstrantse Broederschap voorbij zag komen, moest ik meteen weer aan de projectiegedachte denken. ‘Mijn God dwingt me tot niets’. ‘Mijn God is een superoptimist’. ‘Mijn God laat me zelf denken’. Deels natuurlijk een subtiel verzet tegen de maatschappelijke beeldvorming over geloof en religie, want de-man-op-straat of op-het-station denkt bij kerk al snel aan ‘moeten’ en associeert geloof eerder met pessimisme dan met optimisme. Bij een slogan als ‘Mijn God trouwt ook homo’s’, is de subtiliteit helemaal pregnant aanwezig.

Niet zonder reden gaan de Remonstranten daarom de boer op met de genoemde slogans. ‘Geloof begint bij jou’ is het centrale motto. Marketingtechnisch zit het goed in elkaar, en met zo weinig leden en zo’n grote campagne kan de relatieve respons groot zijn. Maar inhoudelijk is het vooral een stevige onderstreping van de gedachte van geloof als projectie. Een religie die niet bij God begint, een religie die nooit schuurt en waarin nooit een spanningsveld ervaren wordt, valt vrij eenvoudig te vermarkten, want daar is vraag naar (al moet je altijd rekening houden met de Nederlandse Spoorwegen).

‘Alle spreken over boven komt van beneden.’ In de kerk is deze opvatting allang geen dissonant meer. Als representant van de vrijzinnigheid zal de Remonstrantse Broederschap niet de minste behoefte voelen om het tegendeel te beweren. Maar wat ze in feite bieden, is mager. Nog wel God, iemand die niet zichtbaar is – essentieel voor het godsbeeld van de drie grote wereldgodsdiensten. Verder vooral een hippe, eigentijdse god die ons helemaal te gek vindt en nooit corrigeert. Maar hij (of zij) heeft weinig meerwaarde. Gewone stervelingen kunnen wat dat betreft veel meer te bieden hebben.

Geef mij dan maar Klaas Hendrikse. Die is gewoon duidelijk. Ik geloof wel, maar in een god die niet bestaat. Want god gebeurt, als mensen met elkaar in contact zijn. Veel meer omvat de god van de Remonstranten ook niet. Ze liften mee met een populair label: god. Maar eigenlijk is het merkvervalsing.

Wie God dan wel is, is geen geschikte vraag voor een poster. Als het antwoord gegeven kan worden in één slogan, is het ongetwijfeld geen goed antwoord. En als we niet geloven dat het antwoord geopenbaard is, kunnen we maar beter andere vragen stellen. Want anders blijft slechts het label over, dat alleen maar op het verkeerde been zet.


Wie draait Zwarte Piet nu écht de nek om?

Eigenlijk was ik niet van plan om erover te schrijven. Sowieso is m’n blog weer een beetje in de klad gekomen, nadat m’n drie maanden-experiment eerder dit jaar geen vervolg meer kreeg. Moet ik dan zoiets kleinburgerlijks als een Zwarte Piet-discussie benutten om opnieuw te beginnen? Maar wat ik niet in één of twee tweets kwijt kan, zet ik toch maar hier neer.

Het voelde voor mij als een typisch randstedelijke discussie, een beetje in de sfeer van ‘druk maken over dingen die er niet toe doen’, waarmee vooral wannabe-intellectuelen en prachtwijktokkies zich bezighouden. Ik stond erbij en keek ernaar. Maar dat was het dan ook wel.

De gemiddelde Nederlanders snapt nog steeds niks van deze discussie. Aan de ‘man op straat’, wie dat dan ook moge zijn, gaat de discussie volledig voorbij. Daarom blijft Zwarte Piet zo’n beetje overal zwart. In de meeste gemeenten spelen grote zorgen of kleine zorgen, maar zijn het in elk geval zaken die echt raken. Ontvangstcomités van de lokale Sint zouden niet weten waarom ze hun Pieten ineens pimpelpaars of kanariegeel moeten schminken.

Het begon als een semi-intellectuele exercitie van een aantal mensen die niet helemaal doorhadden dat de roots van het Nederlandse Sinterklaasfeest nogal diffuus zijn en dat tradities zich sowieso voortdurend hernieuwen en vernieuwen. Zoals vuurwerk allang niet meer bedoeld is om boze geesten weg te jagen, zo is Zwarte Piet allang geen karikatuur van een ‘negerslaaf’ meer – als hij dat ooit al was. Geen wonder dat de aanval ook verdediging opriep. Destijds.

Maar vandaag de dag is het niet meer de verdediging van destijds. Niet meer de discussie die iedereen minus een enkeling voorbijgaat. Een knap kunstje van de aanjagers ervan, maar ook heel lastig en een beetje griezelig. Want de discussie heeft een nieuwe dynamiek gekregen. Voorstanders van Zwarte Piet zijn inmiddels dogmatische pleitbezorgers van de beproefde en onveranderlijke, zwartgeschminkte kindervriend. ‘Als je tegen Zwarte Piet bent, hoepel je maar op naar je eigen land’. Kortom, het heeft iets losgemaakt waaraan we niet zomaar voorbij kunnen gaan. Toen de discussie begon, werden gewone, nietsvermoedende Nederlanders weggezet als racisten vanwege ‘hun’ Zwarte Piet, inmiddels ontpoppen de pleitbezorgers van Zwarte Piet zich daadwerkelijk als semi-racisten of in elk geval diehard xenofoben.

Misschien moeten ‘wij’, de gewone Nederlanders met ‘onze’ tradities, nu inderdaad maar laten zien dat de discussie nergens over gaat. Als dingen nergens over gaan, gaan ze vanzelf weer over. Dan accepteren we nu een tijdje pimpelpaarse pannenkoekpieten, al dan niet met kaas of stroop, in de gemeenten waar een klein deel van de bevolking dat kennelijk wil. Over een aantal jaar, als de discussie voorbij is, kijken we een beetje meewarig naar deze pogingen om een niet-bestaand probleem op te lossen. En misschien vinden we de toevoeging wel zo aardig dat het een blijvertje wordt. Tolerantie is toch vooral datgene accepteren wat je zelf eigenlijk een beetje stom vindt?

Maar dat gaat niet gebeuren. Want de discussie gaat wél ergens over. Namelijk over ‘onze’ identiteit en de schrale invulling die we anno 2014 daaraan geven. Voorstanders zijn pleitbezorgers geworden van een Nederlandse identiteit die niet veel meer inhoudt dan een potje zwarte schmink – en dat soort perifere uitingen. Kleinzielig en naargeestig. Moet ik op zo’n traditie dan trots zijn? Wie draait Zwarte Piet nu eigenlijk écht de nek om?

Wat mij betreft knikkeren we zowel de tegenstanders als de pleitbezorgers van Zwarte Piet in de zak van Stroopwafelpiet, omdat ze uiteindelijk heel veel gemeen hebben. En dan heeft ieder dorp en elke stad zijn eigen feest voor iedereen. Met of zonder Stroopwafelpiet.


Aleid Schilder

Zaterdag overleed Aleid Schilder, een van de bekendere criticasters binnen het Nederlands protestantisme. In haar haar boek Hulpeloos maar schuldig legde ze een verband tussen de gereformeerde geloofsleer en de ontwikkeling van depressiviteit. Gechargeerd gezegd: de zwartgalligheid van het gereformeerde geloof leidt tot depressieve gevoelens.

In de jaren na haar eerste publicatie over dit onderwerp, was de communis opinio vanuit diezelfde gereformeerde wereld dat Aleid Schilder het onderscheid niet zag of wilde zien tussen de kern van de klassiek-gereformeerde traditie en de uitwassen daarvan. Hoewel ik niet zo bekend ben met het werk van Schilder, denk ik dat haar opvatting tamelijk eenzijdig is. Depressie is dermate complex dat een simpele verklaring als religieuze vorming al snel te simplistisch is. Ook al laten religieuze wortels mensen nooit helemaal los, het aantal mensen dat vrolijk ongelovig de kerk verlaat is te groot om Schilders stelling te kunnen onderschrijven. De echte oorzaak van depressiviteit en waarom de één daar gevoeliger voor is dan de ander, ligt eerder in een gecompliceerde samenhang van iemands persoonlijkheid, karakter en wellicht biochemische factoren. Dat maakt de echte oorzaak nog steeds onherleidbaar – want wie kan ooit een persoonlijkheid en een mensenbrein echt doorgronden?

In de wandelgangen is het verwijt echter niet nieuw. De vermeende zwartgalligheid van het gereformeerde geloof is bijna spreekwoordelijk en vooral stereotype geworden. Boeken als van Jan Siebelink en Maarten ’t Hart – ik noem maar de bekendere – stellen dit beeld niet positief bij. Dat het kerkelijk spectrum tientallen soorten en maten gereformeerden en talloze type mensen kent, telt dan niet. Want het bekt gewoon lekker, religie de schuld van alle ellende geven, vooral tegen de achtergrond van persoonlijke frustratie en collectief leed.

Het is intrigerend dat Schilders haar kritiek voornamelijk richtte op de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, in die tijd al nauwelijks verwant met de reformatorische kerken. Maar haar kritiek betrof uiteindelijk de calvinistische leer in een vertolking die nu vooral in de reformatorische kerken te vinden is. Ik weet niet of Aleid Schilder anno 2014 in bevindelijk-gereformeerde kring ook zoveel beroering zou veroorzaken. Waarschijnlijk wel, want de reformatorische wereld doet slechts in beperkte mate aan zelfreflectie. Maar persoonlijk hoop ik in dat geval op meer empathie. Wie daadwerkelijk gelooft dat hij onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, past bescheidenheid in het veroordelen van mensen die – vastgelopen met het leven – tot eenzijdige conclusies komen.


Naftali

Het valt niet goed in te denken en voor te stellen. Dat je naar school gaat, lessen volgt, als gewoonlijk weer naar huis loopt en onderweg opgepakt wordt om kort daarna neergeschoten en als oud vuil onder een stapel stenen neergegooid te worden. Ze hebben dat niet verdiend. Drie jongens in de bloei van hun leven. Zestien, zestien en negentien jaar. Superlatieven schieten te kort om het leed te omschrijven.

De verspreiding van het bericht roept vervolgens bepaalde ergernis bij me op. Het gaat dan allang niet meer over de gebeurtenis zelf. Zodra nieuws nieuws wordt, krijgt het ook een subjectieve of zelfs morele lading. In het conflict tussen Israël en de Palestijnen (of: Joden en Palestijnen, of: Israël en Palestina, of: Israël en Hamas, of:…) krijgt elk nieuwsbericht een zwaar morele duiding. Meestal wordt die niet uitgesproken, maar stilzwijgend voel je ‘m feilloos aan.

Zo’n simpel bericht via het Radio 1-journaal, dat Israël ‘enkele raketten’ heeft afgevuurd op Palestijnse gebieden, waarbij een aantal doden zijn gevallen. Het zijn koude feiten, die helaas niet uit de lucht gegrepen zijn en op waarheid berusten, maar die toch een duidelijke boodschap uit willen dragen: kijk wat Israël doet. En welk mens met een hart zal dan geen ontzetting voelen?

Ik verkeer in een (sociale en politieke) omgeving waar de focus recht evenredig omgedraaid is. Met goed gedocumenteerde nauwkeurigheid worden de gruwelijkheden van ‘de Palestijnen’ gevolgd en verslagen. Wie zou niet wenen, want het is walgelijk. Maar de stilzwijgende boodschap is duidelijk. Kijk eens wat die Palestijnen doen.

Kortgeleden riep ChristenUnie-bobo Wouter Beekers de christelijke partijen op om eens wat minder pro-Israël te zijn. Hij had zeker een punt. Kees van der Staaij (SGP) zag het niet zo zitten, de Palestijnen krijgen al genoeg aandacht, meende hij – en had zeker een punt. Maar ik ben zelf op een punt gekomen dat berichtgeving over Israël en Palestijnen mij maar één ding zegt: het een wedstrijd zonder doelpunt, een gevecht zonder eindpunt. Zolang mensenlevens daarin op het spel staan en we ze vanaf de zijlijn nodig hebben om ons gelijk te halen, lukt het mij niet om een standpunt in te nemen.

***

Eén van de vermoorde jongens heette Naftali, wat onder andere zoiets betekent als: ‘mijn strijd’, of ‘ik heb gestreden’. Misschien zal ooit blijken dat zijn offer niet zinloos geweest is. Maar in het hier en nu is de allerergste gevoelswaarde van zijn heengaan misschien wel dat het zo oneindig zinloos lijkt.


Gekleurde dominees

Ooit was mijn beeld heel zwart-wit. De dominee droeg een zwart pak, zwarte das, zwarte hoed en om het af te maken een wit overhemd. Nog steeds kent het bevindelijk-gereformeerde ambtsgewaad van de eenentwintigste eeuw slechts weinig variatie. De zwarte hoed begint een uitzondering te worden, de zwarte das laat soms een speels stippeltje toe, maar in een groot deel van de gereformeerde gezindte houdt het daarmee op.

Het was dus even schrikken toen ik járen terug een christelijk-gereformeerde dominee de kansel zag betreden met een witte das. Het paste niet in mijn plaatje, hoewel het nog steeds heel zwart-wit was. Ter geruststelling hoorde ik dat ook ds. Mallan en de ‘oude dominee Lamain’ een witte das droegen op de predikstoel. Daarmee was een witte das voor dat moment voldoende gelegitimeerd.

Dan de toga. Ik kon me niet voorstellen dat respectabele predikanten, die ik in weekdiensten in Werkendam meemaakte, op zon- en feestdagen daadwerkelijk zo’n malle jurk droegen. Tot ik in de hervormde kerk van Leerbroek ds. Zweistra inderdaad getooid zag met een toga. Van de spreekwoordelijke schrik bekomen, werd ik op dat moment verliefd op het stijlvolle kledingstuk dat nog steeds door talloze predikanten gedragen wordt. Vooral de toga met baret, helaas een uitzondering, was het voor mij helemaal.

Maar de afkalving van mijn zwart-wit-beeld ging door. Toen ik zeven jaar geleden college volgde bij een casual geklede hoogleraar-predikant die heel rechtzinnige dingen zei, moest ik weer even wennen aan de gedachte dat goede dominees desondanks toch een spijkerbroek kunnen dragen. Het vooroordeel was niet rationeel onderbouwd, maar zat blijkbaar heel diep tussen de oren.

Afgelopen dagen – en eerder al – ontmoette ik diverse predikanten uit verschillende werelddelen, bij wie het enige zwart wellicht hun huidskleur is. Een voetstuk hebben zij niet nodig om toch met kop en schouder boven menig ander te staan. Mijn zwart-wit-beeld ligt allang in gruzelementen, maar in een luttel moment van reflectie vroeg ik me toch even af hoe ik ooit zo naïef kon zijn.


Straatkrant

‘Goedemiddag meneer’, knikte me ze vriendelijk toe. Een zeker enthousiasme leek haar niet vreemd te zijn op deze zonovergoten vrijdagmiddag. Terloops wierp ik een blik op het stapeltje kranten dat ze beethield. Uitnodigend bijna. ‘Weer een nieuwe’, dacht ik in het voorbijgaan, want ik kende de titel niet (en ben ‘m inmiddels vergeten). Toen ik een kwartier later met handen vol verjaadagsvoedsel de Albert Hein weer uitliep, begroette ze me opnieuw enthousiast. ‘Goedemiddag meneer’, alsof ze al niet hetzelfde had gezegd even daarvoor. Ik liep snel door, ongemakkelijk als zulk soort mensen zijn.

Tot zover heeft iedereen wel eens zo’n ervaring. Meestal gaat het dan als volgt verder, soms ook in columns. We voelen ons niet helemaal senang bij straatkrantverkopers, maar hen stelselmatig negeren geeft ook geen goed gevoel. Dus besluiten we op een zeker moment toch maar zo’n krantje te kopen, ook al belandt het ding nauwelijks gelezen in de papierbak. Wat verder niet meer ter sprake komt is dit: voor de weken of maanden daarna hebben we onze plicht weer afgekocht en groeten we slechts vriendelijk terug. Maar mensen die nooit een krantje kopen, geven we een broederlijke vermaning. ‘Het zijn toch je naasten, hè’.

Misschien heb ik ooit één keer een straatkrant gekocht. Waarschijnlijk op Hoog Catharijne, in elk geval niet in Werkendam want dat voelt een beetje gênant. Je zou maar een goede bekende tegenkomen. Dan zie je ze bijna denken: ‘Die Kees wil vast de gulle jongen uithangen.’ Liever in de anonimiteit, die éne schamele keer.

Het is maar een paar euro, dus het geld is het niet. Net als bij het zoveelste goede doel dat in korte tijd een beroep op je portemonnee doet. ‘Het is uiteindelijk maar drie cent per dag, meneer’. Lastig, want wie is er niet gevoelig voor. Toch zeg ik vaak nee – al draagt de drammerigheid van de gemiddelde marketeer daar zeker aan bij. Los daarvan, je kunt niet overal aan geven, toch?

Ik realiseer me dat zo’n enthousiaste straatkrantverkoper symbool staat voor een oneindig terugkerend dilemma. Tussen druppel-op-een-gloeiende-plaat en je-kunt-niet-de-hele-wereld-op-je-nek-nemen. Met daarboven het zeurende ‘Wie één mens redt, redt een hele wereld’, als een zwaard van Damocles om ons geweten te pijnigen.

Misschien kan ik deze blog beter uitprinten en aan enthousiaste straatkrantverkopers geven. Dan snappen ze ook hoe groot het dilemma kan zijn van al die passanten die soms af en toe, soms vaak en heel vaak nooit iets kopen. Ze zullen begrijpen dat het voor ons ook moeilijk is.

Blijft alleen even de vraag staan of ik dit in Werkendam, of in Utrecht op Hoog Catharijne doe.


Uitgesproken

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Sinds afgelopen week weet ik dat deze uitspraak bij Adolf Hitler vandaan komt. Een Amerikaanse Bijbelschool maakte reclame voor kinderonderwijs en onderstreepte het belang daarvan met een – vermeende – uitspraak van Adolf Hitler. ‘He alone, who owns the youth, gains the future – Adolf Hitler’.

Waarschijnlijk zijn we de twijfelachtige herkomst van dit spreekwoord massaal vergeten, want anno 2014 zeggen ook wij het zonder aarzeling, zo blijkt alleen al uit een simpele Google-search. Het was vooral ongekend stom om op het billboard expliciet de naam van Adolf Hitler te noemen, maar zelfs als hij het daadwerkelijk gezegd heeft, is de uitspraak nog steeds juist. Zó waar dat het bijna een open deur is en je alleen al vanwege dat clichématige de uitspraak niet meer zou willen gebruiken.

Het komt vaker voor dat bekende uitspraken worden gekoppeld aan de verkeerde persoon. Onlangs sprak een gastvoorganger over ‘uw oud-predikant’ die wel eens gezegd zou hebben: ‘Wie nat wil worden, moet in de regen lopen’. Verrast hoorde ik het aan, want deze oud-predikant was niet Bernardus Smytegelt, de 18e-eeuwse dominee aan wie deze bevindelijke waarheid doorgaans (terecht) toegeschreven wordt.  Maar het kan ook Johannes van der Poel zijn, hoorde ik ooit vanaf de kansel. En de heel gewone oma van Katelijne uit Dorsvloer vol confetti zei het ook altijd al. Succesvolle gezegden kennen meerdere vaders.

Dat is overigens niet zo vreemd. De herkomst van een uitspraak is meestal ingewikkelder te traceren dan het concrete gebruik ervan. Zo sprak de genoemde gastvoorganger geen leugen toen hij de uitspraak koppelde aan een ander dan Smytegelt. Ongetwijfeld heeft de bewuste oud-predikant het wel eens gezegd, maar dat zegt verder niks van de herkomst.

In de praktijk weten we vooral nog wie een uitspraak als eerste in het publieke leven gebruikte, waarna die op dat specifieke moment voor altijd bleef hangen. Het zou zomaar kunnen dat de huishoudster van Smytegelt het altijd placht te zeggen, maar dat ze het al van haar oma had gehoord, totdat de dominee het overnam in zijn pastoraal advies aan ‘gekrookte rietjes’ en deze uitspraak vereeuwigd werd in uitgeschreven teksten die tot op de dag van vandaag in sommige kerken gelezen worden.

Hoe meer een uitspraak verbonden is met een (historische) context, hoe sneller we de eerste gebruiker ervan zullen onthouden.  ‘I have a dream’ maakte de nagedachtenis van Martin Luther King wereldwijd onsterfelijk, ook al was de uitspraak op zichzelf niet bijster origineel. Maar voor altijd verbonden met zijn moedige strijd tegen apartheid, zijn retorisch talent en zijn dramatisch heengaan, zullen deze woorden niet snel aan anderen toegeschreven worden.

Daarom vergeten we eerder de bedenker van Wie nat wil worden, moet in de regen lopen dan de oorsprong van I have a dream. De eerste is zonder context of herkomst nog steeds waar, hoewel cliché, de laatste wordt dan vooral nietszeggend. En dus verrast het ook niet dat we de herkomst vergeten zijn van ‘He alone, who owns the youth, gains the future’. Als-ie al van Hitler zou zijn…dan herinneren we ons toch eerder andere dingen van Hitler.

***

Tot en met 30 juni 2014 schrijf ik elke week een blog. Mocht het succesvol zijn, ga ik natuurlijk door.


Onweer

In de nogal epische uitzending van Knevel en Van den Brink op 6 juni 2008 sprak Maarten van Rossem de weinig verfijnde woorden ‘Donder toch op met dat sportnieuws en doe dat voor mijn part op een aparte zender’. Hij hekelde het voetbalnieuws dat in WK- of EK-tijden ‘als een soort schimmel’ alles overwoekert en zelfs het publieke net volkomen domineert.

Ik zou dat niet snel op deze manier zeggen, hoewel ik zijn analyse volledig deel. Maar ik moest er slechts aan terugdenken toen vorige week de Jumbo in Barneveld het nieuws haalde omdat ze klachten kreeg over de WK-actie van Jumbo. ‘We geven ze op hun donders ‘ kon de taaltoets van enkele klanten niet doorstaan en de winkelleiding besloot in allerijl de bijbehorende ‘juichpakken’ van ‘stylist’ Roy Donders uit de roulatie te halen. Jammer voor al die Barnevelders die dolgraag zo’n juichpak wilden dragen, maar verder heel sympathiek en invoelend richting bezwaarde klanten.

Natuurlijk kan ik genoeg redenen bedenken om juichpakken van Roy Donders zo snel mogelijk uit de handel te nemen. Hoewel over smaak niet valt te twisten, zou ik het alleen al vanuit esthetisch perspectief m’n klanten niet aan willen doen. Dat het onderdeel is van het WK laat ik dan maar buiten beschouwing. Als refo word ik waarschijnlijk bij voorbaat al niet objectief bevonden.

Wat me daarentegen wel verbaasde, was de motivatie van een kerklid uit Kootwijkerbroek, die – heel keurig overigens – probeerde uit te leggen waarom sommige christenen moeite hebben met de uitdrukking ‘op hun donder geven’.  ‘Onweer wordt in onze kringen gezien als ingrijpen van God in de natuur. En daar moet je niet mee spotten. Het besef dat er onweer en bliksem is, staat voor het spreken van God in de natuur. Je moet Hem niet uitdagen. ‘

De Nederlandse taal is doorspekt met uitdrukkingen die verwijzen naar het natuurverschijnsel dat gepaard gaat met harde klappen en lichtflitsen. ‘Op je donder geven’ is daarbij minder verfijnd dan het ‘in Keulen horen donderen’, maar in feite van dezelfde orde. En het ‘gezicht als een onweerswolk’ en ‘als door de bliksem getroffen’ zijn profane gezegdes die zo ingeburgerd zijn dat we misschien niet eens meer beseffen dat ze dus afgeleid zijn van het ‘ingrijpen van God in de natuur’.

En de term onweer, als variant op het onding en het onkruid, is wellicht ook minder geschikt om het natuurverschijnsel dat geldt als metafoor van het spreken Gods te typeren. Dat daargelaten blijft over dat de Barnevelders wat mij betreft een lintje van de koning verdienen in hun pleidooi voor verfijnd taalgebruik en hun verzet tegen ‘koning voetbal’. Voor het geval daar misverstand over bestaat.

 


Circus

Vorige week mochten we stemmen. Iets met burgerplicht, democratisch voorrecht of iedere-stem-telt. Zelf voelde ik er bijna niets bij. Een paar maanden terug sloeg de twijfel toe. Waarom zou ik eigenlijk stemmen. Het Europees Parlement lijkt op een fopparlement dat elke maand verhuist naar Straatsburg om het ego van Frankrijk te pleasen, de parlementariërs komen vooral in het nieuws als ze weer eens tekenen bij het kruisje om hun dagvergoeding veilig te stellen. De beeldvorming is allerminst gunstig.

Toen ik wat googlede op ‘taken’ en ‘bevoegdheden’ van het Europees Parlement, kwam ik niet veel verder. Het EP heeft in elk geval een wetgevende bevoegdheid, op sommige terreinen. Dat valt al weer mee, want daar hoor je nou nooit over. Ze heeft ook budgetrecht, maar weer niet de mogelijkheid om zelf initiatiefwetten voor te stellen. Het parlement mag de volledige Europese Commissie naar huis sturen, maar geen individuele commissarissen. Lastig allemaal. Vooral omdat ik maar geen beeld kreeg van de daadwerkelijke betekenis van het Europees Parlement.

De partijen zelf maakten het me niet veel makkelijker. Niet gehinderd door enige behoefte om een gecompliceerd beeld neer te zetten, presenteerden politici de meest simpele keuzes. Exit-Europa ja of nee, een ‘sterk’ of een ‘zwak’ Europa… Alsof dat eerste een realistische keuzeoptie was, en dat tweede niet een enorm cliché. ‘Cora voor banen’ was al helemaal een giller en mijn eigen lijst maakte het niet veel minder clichématig. Met je JA of NEE.

Inmiddels is de uitslag bekend. Dat mocht overigens pas na drie dagen, want stel je voor dat kuddegedrag toch over landsgrenzen zou gaan.  Alle topstukken doen nu hun uiterste best de uitslag zo gunstig mogelijk te interpreteren. Eigenlijk heeft iedereen gewonnen. We zijn allemaal tegen Europa. En we zijn helemaal niet eurosceptisch.

Uiteindelijk heb ik gewoon gestemd. Natuurlijk. Maar ik ben bang dat over vijf jaar de twijfel opnieuw toeslaat. Want een circus blijft het.

 

 


Gevaarlijk gezond

‘Als ik de krant moet geloven, kunnen we helemaal niets meer eten’. Meer dan eens heb ik deze of een soortgelijke verzuchting gehoord. Vooral als de media weer eens een nieuw onderzoek meldden waaruit de nadelige effecten van bepaalde voedingsmiddelen zouden blijken. ‘Je kunt maar beter niet alles weten’, is dan vaak het nuchtere commentaar.

En het is natuurlijk waar. Het is inderdaad zo dat als je alles weet, serieus neemt én de uiterste conclusie trekt door het voortaan niet meer te eten, je níets meer kunt eten.

Dat suiker niet gezond is, weten we allemaal en wordt eigenlijk wel door iedereen onderschreven. In theorie althans. Alle snoep, gebak, koek en frisdrank vallen dan zo’n beetje af. Het alternatief, synthetische zoetmiddelen, krijgt weliswaar de zegen van het Voedingscentrum, maar verder eigenlijk van niemand. Daar ga je dus met je lightproducten. Al dat verzadigde (trans)vet in koek en snoep is natuurlijk ook levensgevaarlijk, kortom: tussendoor bijt je op een houtje of eet je een boterham.

Maar dan begint de ellende al. Brood is helemaal niet zo gezond als we altijd geleerd hebben. Granen met gluten kun je beter vermijden, zeggen de voedingsgoeroe’s. En de fytinezuur remt de opname van essentiële mineralen zoals calcium, ijzer en fosfor. Moet je dus weer meer zuivel eten om dat tekort te compenseren. Nee hoor, dat dácht je. Zuivel bevat lactose en caseïne, en met een beetje pech ben je op z’n minst een beetje allergisch voor één van beide. Dat weet je misschien nog niet, maar als je het categorisch gaat mijden, gaat het ineens stukken beter met je.

Omdat brinta, pasta , muesli en nog veel meer levensmiddelen voor een groot deel van tarwe gemaakt worden, zit je mooi mis met je gezonde gedrag. Eten als de oermens dus. Want al die snelle koolhydraten bezorgen je in rap tempo ook nog eens diabetes, type twee. Dus zit je ‘s morgens, net als de oermens tig jaar terug, niet aan een boterham met jam (want jam = suiker), maar aan de ei met spek en slablaadjes. En verder eet je vooral véél eiwit en véél vet, liefst ook nog verzadigd van dierlijke komaf, om maar zo min mogelijk koolhydraten binnen te krijgen.

De veganist is dit allemaal te gortig. Weg met vlees en zuivel en alles wat van dieren komt. Dierenleed natuurlijk, maar ook antibiotica, groeihormonen en milieuvervuiling zijn reden genoeg om herbivoor te worden: planteneter. Daar kun je oud mee worden en raak je in het reine met jezelf en de natuur. Voor een tijd waar nieuwe vormen van spiritualiteit haar weg zoeken, is planten eten natuurlijk een ideale vorm van eredienst.

Je kunt ook alles rauw eten. In de praktijk ben je dan planteneter, want zie jij wel eens een riblapje rauw verorberd worden? Verhitten doodt de enzymen in het voedsel die nodig zijn voor onze spijsvertering. Bij gebrek aan beter, haalt het lichaam die dan uit het lichaam zelf. Dat maakt ons zwak, dus eet je beter alles rauw.

Tot je mensen spreekt die juist weer zweren bij alles wat dierlijk is. Groene groenten, aardappelen, tomaten, plantaardige oliën, doe het zo min mogelijk of kook ze helemaal tot prut. Pas dan komen de mineralen uit de celwanden van de vezels echt vrij. Tja, daar waren we sinds grootmoeders tijd nu eindelijk een beetje vanaf. Eenmaal tot snot gesmoorde groenten (en granen) bevatten helaas nog steeds neurotoxines, oxaalzuur, fytinezuur en nitraat die allerlei nare effecten hebben op ons menselijk functioneren. Kortom, nachtschades (aardappelen, tomaten, paprika’s, groene groenten (spinazie, broccoli) en het populaire havermout zijn ook al niet gezond. Giftig zelfs, volgens sommigen.

Zo wordt het dus lastig om een maaltijd samen te stellen die alle klippen en gevaren omzeilt. Jammer, want er zijn zeker wel een aantal goede richtlijnen vast te stellen. Maar dat zou deze blog te serieus maken. Eet smakelijk!


De zolder van oma

Het was altijd verboden terrein. ‘Veel te gevaarlijk’, zei ze, als we vroegen naar de zolder die eigenlijk meer een vliering was. Zo noemde oma het dan ook. Een rommelzolder, alleen bereikbaar via een vlizotrap. Juist die trap was het probleem. Een uitschuifbare ladder, verbonden met een luik waarvan het koordje altijd verleidelijk in de ruimte bungelde.

‘Veel te gevaarlijk voor jullie. Als je er toch eens afvalt…’ Maar wij vonden het niet gevaarlijk. Uiteraard niet. Ik deelde altijd het gevoel van Taco uit ‘Het raadsel op de zolderbank’, een jeugdboek van Gerbrand Fenijn. Achter dat luik was een geheim. Net zoals de kast in het huis van professor Kirke, waarachter een compleet Narnia verscholen lag. Maar wij hadden er niks te zoeken, zei ze.

Door de jaren heen verdween de zolder in de stoffige hoeken van m’n geheugen. Het rationele won van de fantasie. Toen we later groot waren, gaf oma toestemming om te kijken. ‘Wel voorzichtig doen’ kregen we nog mee, maar dat was niet nodig. Het was immers niet gevaarlijk. Of het toentertijd een teleurstelling was, weet ik niet meer. Het moet haast wel, want je kon er niet verdwalen, overzichtelijk als het was. En de lage, stoffige ruimte verborg al helemáál geen geheimen.

Onlangs was ik weer op de zolder, nu het huis niet meer bewoond is. De desillusie was misschien nog groter dan toen.  Een broeierig stofnest met oude spullen – waarvan alleen drie oude petroleumstelletjes mijn belangstelling trokken. Talloze weckpotten in een loze ruimte, onbereikbaar door twee verwarmingsbuizen die  erlangs gemonteerd waren. Vreemd, dat wel, maar dan ook het enige raadsel van deze zolder.

Toen ik de trap afliep struikelde ik en verloor bijna m’n evenwicht. Ze geven weinig grip, die vlizotrappen. ‘Veel te gevaarlijk voor jullie’, schoot even door m’n hoofd. Het zal een vorm van heimwee zijn, maar minstens twintig jaar na dato was ik geneigd oma gelijk te geven.

***

Tot en met 30 juni 2014 schrijf ik elke week een blog. Mocht het succesvol zijn, ga ik natuurlijk door.


Dodenherdenking

Deze week herdenken we de doden. Zij die voor ons vielen. Gevallen voor de vrijheid.

Voor een generatie die de oorlog niet gekend heeft  – mijn generatie dus – is het moeilijk peilen wat die oude mannen doormaken. Ze zitten vooraan, dicht bij het monument. Met de indrukwekkende woorden over vrienden die hun leven geven. Een stoeltje omdat ze te oud zijn om alles nog staand mee te maken.

Juist dat maakt het niet makkelijk. Wat is herdenken, opnieuw denken, terugdenken aan oorlog, aan leed dat je nooit meegemaakt hebt. Als je hoopt dat je het nooit zúlt meemaken?

Het gedempte tromgeroffel van Irene, de ernstige gezichten en de plechtige stoet. Ze brengen de stemming erin. Dan is het acht uur. Twee minuten stil om te herdenken. Maar wat moet je denken?

Krampachtig leef ik me in – ik doe in elk geval een poging – wat oorlog is. Wat vrede is. Wat een zegen het is om in vrijheid te kunnen herdenken. De twee minuten zijn zo voorbij. Momenten waarin ik vooral denk aan hoe ik moet herdenken.

Dan leest Cor van der Maas met krachtige stem over de Achttien Doden van Jan Campert. Pas dan kom ik een stapje dichter bij de beleving. Wij waren achttien in getal, Geen zal de avond zien. Pas als Piet van den Hoek vertelt over hoe men zong ‘Dan ga ik op tot Gods altaren’ voordat men voor de lopen ging, pas dan begin ik het een beetje te begrijpen. Niet rationeel, ik kan het niet navertellen, maar het dringt toch even door. Even maar.  Er komt een dag na elke nacht, Voorbij trekt ied’re wolk.

Welke doden we nu precies herdenken, staat vaak ter discussie. Al zolang ik me herinner. Inmiddels staat zelfs de datum ter discussie. Komt dat misschien omdat we het zelf niet meemaakten? Dat we adiophora tot essentialia verheffen?

Gedenk, die deze woorden leest, Mijn makkers in de nood, En die hun nastaan ’t allermeest.  Ik geloof niet dat we dat op zondag niet mogen herdenken. Maar nog minder geloof ik dat de datum ertoe doet. Opdat wij niet vergeten. Dát het allermeest.

***

Tot en met 30 juni 2014 schrijf ik elke week een blog. Mocht het succesvol zijn, ga ik natuurlijk door.


Vaccinatie-weigerende Biblebelt’ers, hoe noem je ze nou eigenlijk?

Als seculiere krant of omroep heb je het momenteel niet makkelijk. Pal voor de komkommertijd breekt in een deel van het land de mazelenepidemie uit. Vanwege het gewicht der zaak moet je als nieuwsmedium daar natuurlijk als de kippen bij zijn en één en ander van uur tot uur volgen. En dan maakt die Biblebelt het hen nog niet eens gemakkelijk. Want vreemd zijn ze wel, maar hoe nóem je die vaccinatie-weigerende Biblebelt’ers nu eigenlijk?

In één van de eerste berichtgevingen heette het dat de mazelen heersten op de Biblebelt, omdat de ‘gereformeerde kerk’ tegen inenten zou zijn. Op sociale media leidde het tot besmuikt hoongelach. Zouden ze bij de NOS echt niet weten dat het gelijknamige kerkverband al bijna tien jaar is gefuseerd tot Protestantse Kerk in Nederland? En dat de ‘gereformeerde kerk’ als typering net zo weinig concreet is als de aanduiding ‘commerciële media’, of iets dergelijks.

De weken erna leidden niet tot veel verbetering. Bevindelijk-gereformeerden, christelijke gereformeerden, reformatorischen, refo’s, orthodoxe gereformeerden, zwarte kousen-christenen, ze waren allemaal tegen vaccineren en kregen daarom de mazelen.

Het is niet eenvoudig om de landelijke media te voorzien van een trefzekere aanduiding van de bevolkingsgroep die tegen vaccinatie is. Sterker nog, het is onmogelijk. Net zoals veel niet-bevindelijk-gereformeerden wel degelijk bevindelijk zijn, veel niet-reformatorischen zich sterk verbonden voelen met de Reformatie en veel niet-gereformeerden toch orthodox zijn, zo zijn niet alle “reformatorische inwoners van de Biblebelt en daarbuiten” – tegen vaccineren.

In feite is het steeds ingewikkelder geworden om de subgroep van de gereformeerde gezindte (als term ooit bedacht door Groen van Prinksterer) te typeren. Niet voor niks heeft men de gereformeerde gezindte al onderverdeeld in een ‘bredere zin’ en een ‘engere zin’, waarbij de laatste slaat op de sub-subgroep van de bevindelijk-gereformeerden en groeperingen als de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt er schoontjes buiten vallen. Maar deze verschuiving in terminologie is niet per se nieuw. De gemiddelde ‘refo’ staat in de traditie van Reformatie, die 500 jaar terug met ijver de ‘evangelische leer’ uitdroeg, als reactie op de verstarde leer van de Rooms-katholieke Kerk. Anno 2013 zijn we, zo niet vuurbang, dan toch wel beducht voor de ‘evangelische’ beweging.

Afgelopen week schreef de NOS op haar website over ‘reformatorische gezindten’ die vanwege hun geloof tegen vaccineren zijn. Het klinkt nog een beetje bevreemdend in onze oren, maar beter had een nieuwsmedium het niet kunnen uitdrukken. Refo’s passen niet in een hokje en de media hebben het eindelijk door.

 


De monarchie zegt meer, al houden we ons voor de gek

De koning is dood, leve de koning. Vrij vertaald: de koningin treedt af, leve de nieuwe koning. Zo gaat het al 200 jaar en wat mij betreft gaat het nog minstens 200 jaar zó.

Natuurlijk is de monarchie, en dan vooral het concept van de erfopvolging, niet meer van ‘deze tijd’. Wat is nu wel van deze tijd, vraag je je soms af. Vijf kabinetten in tien jaar, bijvoorbeeld. Een dienaar van de Kroon die na een blauwe maandag ministeriële ervaring z’n volgende job begint, nu in Europa. Instabiliteit en baantjesjagen, wellicht zijn dat concepten van deze tijd.

Want toegegeven, erfopvolging is moeilijk rationeel te onderbouwen met goede argumenten vóór. In een tijd waarin representatieve vertegenwoordiging, gelijke kansen en vrije keuze voor iedereen centraal staan, kun je nauwelijks aankomen met ambten en functies die je overkomen bij gratie van je afkomst. Heel het idee van adeldom heeft iets van ver vergleden tijden. Totaal gedateerd en achterhaald.

Ik zal dus niet makkelijk rationeel kunnen verklaren waarom een erfelijke monarchie nog ‘van deze tijd’ is. Maar ik vind het prachtig. En we vinden het allemaal prachtig. Hare Majesteit glorieert zelfs in ‘linkse’ media. Leve de koningin, want de monarchie leeft, blijkbaar. Waarom spreekt de ganse natie lof op Hare Majesteit en in het verlengde daarvan op de monarchie? Volgens mij juist omdat het niet rationeel is. Ergens diep van binnen zit bij iedereen de gedachte dat we logischerwijs geregeerd en bestuurd moeten worden. Kennelijk heeft monarchale macht meer zeggingskracht en sluit het beter aan bij deze gedachte, die we knarsetandend erkennen. De koninklijke macht is per definitie onbereikbaar en daarmee misschien nog wel het makkelijkst te erkennen. Ook al houden we ons voor de gek, want de macht is elders.

Spreekt een monarchie tot de verbeelding? Zien mensen in de Majesteit de belichaming van al die oude verhalen? Wie zal het zeggen. Eén ding is zeker: de Nederlander (al weten we sinds Maxima dat díe niet bestaat) wil niet louter en alleen geregeerd worden door de ratio. In de door henzelf gekozen instituties – heel rationeel en van deze tijd allemaal – herkennen zij zich vaak niet.

Koning Willem-Alexander zal flink moeten aanpoten om de positie te verwerven die koningin Beatrix nu heeft. Maar de Nederlander geeft hem een kans. En zolang ‘het volk’ het wil, blijft het land een monarchie. Want zo gaat het al eeuwen. Leve de Koning.


Oudejaarsavond: momenten van melancholie

Op de laatste dag van het jaar dwingt de macht der traditie ons na te denken en terug te blikken op het voorbijgegane jaar. Met een zekere plechtigheid spreken we het uit: ‘De tijd vliegt’, om direct daarna onszelf te corrigeren. ‘Nee, wij vliegen daarheen’. En in de kerk staan we stil bij de overledenen. Zij die ons voorgingen.

Momenten van melancholie. Verstilde treurigheid. En het gebed van Mozes, de man Gods, draagt daar niet weinig aan bij. “Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!” Of in hedendaags Nederlands: “U doet de sterveling terugkeren tot stof en zegt: ‘Keer terug, mensenkind.”

Anno Domini 2011 was in dit licht een jaar van ‘wederkeren’. Een oom, een tante, een collega, verwisselden het tijdelijke met het eeuwige, zoals we dat dan noemen. De dood liet zich zien. Alsof het leven machteloos was van de dood te redden. Op zulke momenten lijkt dat ook zo.

Waarom psalm 90 als psalm voor de laatste dag van het jaar wordt gezien, weet ik niet. Maar op een moment van stilstaan, omzien en gedenken passen de Woorden wonderwel. De psalm begint met een belijdenis: “Heer, u bent ons een toevlucht geweest van geslacht op geslacht. Nog voor de bergen waren geboren, voor u aarde en land had gebaard – u bent, o God, van eeuwigheid tot eeuwigheid.” Op de laatste dag van het jaar spreken wij deze belijdenis uit en na. Alleen als we beginnen met Gods eeuwigheid, lopen we niet stuk op onze tijdelijkheid.

Geen idee wat 2012 me brengt. Als ik eenmaal in de stemming van psalm 90 ben, hoef ik het ook niet meer zo nodig te weten. De echo van het gebed van Mozes gaat met me mee. “En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.

Ik wens jullie allemaal een gezegend 2012.


Jan Luteijn: eigentijds, verfrissend, principieel

Het was nog in de tijd dat ik ‘u’ zei tegen Jan, toen een wethouder in mijn beeldvorming en beleving nog iets meer was dan een ‘gewoon mens’. We waren op weg naar Eindhoven, waar de gezamenlijke CU/SGP-lijst haar provinciale campagne aftrapte. Het was tijdens die autorit dat ik voor het eerst iets proefde van Jan’s bevlogenheid voor zijn werk als wethouder namens de SGP in het college van Werkendam.

Vanaf dat moment kwamen we elkaar vaker tegen. Als ‘jochie’ – want meer voelde ik me niet – werd ik door Jan volstrekt serieus genomen en ik proefde van zijn kant ook waardering voor wat ik destijds als lid van de PR-commissie verrichte. Z’n altijd scherpzinnige feedback op de kopij van Nieuwsbrieven hebben me in de beginfase voor heel wat bloosmomentjes achteraf bewaard, want zeker in het begin was het redactiewerk niet eenvoudig.

Een paar jaar later was ik inmiddels correspondent voor het Nieuwsblad en het Reformatorisch Dagblad. Het was in de periode dat ik Jan nog steeds niet durfde te tutoyeren, en oh, wat was ik zenuwachtig als ik Jan moest bellen in verband met mijn werkzaamheden voor de kranten. Als verslaggever leerde ik Jan beter kennen en ontdekte ik de kwaliteiten van ‘onze’ wethouder. Want ik zat er weliswaar niet met SGP-pet, ik had ook toen al een SGP-hart.

Vanaf 2010 maak ik als burgerlid deel uit van de SGP-fractie; daar leerde ik Jan van nog dichterbij kennen. Sindsdien ben ik hem ook maar bij de voornaam gaan noemen, want je kunt dan niet achterblijven. Maar de respect en waardering is alleen maar meer geworden. Jan is voor mij een voorbeeld van de wijze waarop een SGP’er ook anno 2011 met overtuiging kan functioneren in het openbaar bestuur. Eigentijds,  verfrissend, respectvol richting andersdenkenden en dit alles onderstreept met principes waar hij achter en vóór staat.

Dat Jan met zijn tijd meegaat, illustreer ik aan de hand van het fenomeen ‘twitter’. Ongeveer een jaar geleden vroeg Jan me een cursusje ‘twitteren’ te geven. Hij had gezien dat dit medium nauwelijks meer weg te denken valt als relevant communicatiemiddel. Als een snelle
leerling pakte Jan het voortreffelijk op en sindsdien houdt hij ons ook via dit kanaal op de hoogte van zijn werkzaamheden als wethouder.

Jan, dat twitter zal ongetwijfeld één van de verbindingsschakels blijven tussen jou en mij. Je bent een kritische volger en mijn advies is: blijf dat vooral. Want een positief-kritische houding, brengt je in alle opzichten alleen maar verder. En boven dit alles: Ga met God, ook in Cromstrijen!

Kees Vreeken, burgerlid SGP Werkendam


Ophef over ‘kastijding’ getuigt van kwade wil

Het is weer eens zover. Een dominee schrijft een stukje; op één of andere wijze komt het terecht bij een nieuwsmedium en vervolgens duikt half Nederland, inclusief de politiek, er als een hyena op af. Want niemand begrijpt het, en ik durf de stelling aan: velen willen het niet begrijpen. Het is zo prettig om die religieuze fundi’s lekker te bashen. Welkom in 2011.

In de laatste kerkbode van de Hersteld Hervormde Gemeente te Katwijk citeert ds. Albert Vlietstra een gedeelte uit ‘Plichten der ouders’ van ds. Jacobus Koelman, een gereformeerd predikant uit de zeventiende eeuw. Koelman roept ouders ertoe op te ‘kastijden’, als het gedrag van kinderen daar aanleiding toe geeft. Nu kunnen we discussiëren over de vraag of een dergelijke oproep zinvol is ter gelegenheid van de geboorte van een kind. We kunnen ons ook afvragen of het citeren van een 17e-eeuwse predikant toegevoegde waarde heeft in het kader van opvoedingsvraagstukken – tijden en gewoonten veranderen immers, ook op dit vlak.  Maar als zoiets dan zwart-op-wit geschreven staat, is het wel zo fair het geciteerde én de intentie van de auteur(s) recht te doen. De media doen dit (ik ben bang:doelbewust) niet. Zo ontstond vanmorgen dus opnieuw een hijgerige hype, waarbij de gereformeerde gezindte weer eens minder prettig in de picture staat. Inmiddels heeft de PvdA zelfs Kamervragen gesteld; ds. Vlietstra zou kindermishandeling ‘vergoelijken’. Het moet niet gekker worden!

Roept ds. Vlietstra, via ds. Koelman, nu echt op tot kindermishandeling? “Laat in het kastijden altijd de teerheid van uw liefde zien en hoe onwillig u bent om hen te kastijden indien zij langs een lichtere weg verbeterd konden worden. […] Werpt hun niets na dat hun leven, hun leden of gezondheid in gevaar zou brengen. Dit verwekt de kinderen tot oneerbiedigheid en kleinachting van hun ouders.” Alleen wie van kwade wil is, gelooft dat hier kindermishandeling vergoelijkt wordt. Het woord ‘kastijden’ is trouwens een ingewikkeld woord. Vandaag de dag veronderstellen we zonder meer dat het ‘lijfelijk slaan’ betekent. Oorspronkelijk heeft het woord deze betekenis niet, weten we dankzij de etymologiebank*, en ligt de betekenis ervan veel meer op het ‘onderwijzen met woorden’. In de loop der tijd, vanaf de Middeleeuwen, verschoof de betekenis meer in de richting van lichamelijk straffen, dus Koelman zou het inderdaad ook in deze betekenis gebruikt kunnen hebben.

De discussie verschuift daarmee dus naar de vraag of een pedagogische of corrigerende tik, ook anno 2011, nog geoorloofd is. In Nederland mag het wettelijk sinds 1997 niet meer, maar de discussie over het morele element wordt nog steeds gevoerd. Dat een pedagogische tik schadelijk is, onderschrijft lang niet iedereen, ook wetenschappers niet (zie hier een beknopt overzicht). Daarnaast bleek uit een onderzoek van Netwerk in 2009 dat driekwart van de Nederlanders geen moeite heeft met een pedagogische tik ofwel het traditionele ‘pak slaag’. Niet normatief voor deze discussie natuurlijk, maar wel veelzeggend. Het plaatst de huidige ophef in elk geval in een ander perspectief.

Het voorval toont overigens ook aan dat het meer dan ooit belangrijk is niet in de taal van vier eeuwen terug te communiceren, ook niet naar mensen die het ‘toch wel begrijpen’. Maar dat is weer een heel andere discussie.

* Met dank aan @SKVRid, die me op deze website attendeerde.


Wat doet een burgerlid?

Foto: Bob du Burck

Lastige vraag eigenlijk.  Er zijn wel meer van die dingen, die je gewoon doet, maar als men vraagt: wat doe je dan precies, dan moet je even goed nadenken. Niet omdat het ingewikkeld is, maar omdat je het gewoon als vanzelf doet. Je leert het gaandeweg – of je leert het nooit.

Maar goed, ik heb er even over nagedacht en zal proberen om zo ordelijk mogelijk toe te lichten wat we hier als burgerleden doen.

Je kunt het negatief formuleren, of juist positief. Je zou kunnen zeggen dat een burgerlid het hulpje is van het raadslid en van de fractie. Maar dat klinkt niet leuk. Een burgerlid is namelijk volwaardig lid van een raadscommissie, in mijn geval: Inwoners. Dat is dus de positieve formulering, die ik als uitgangspunt neem bij de rest van m’n toelichting.

Voor het geval u dit nog niet weet; de gemeenteraad heeft drie commissies ingesteld, waar raadsvoorstellen worden besproken en bediscussieerd. Het zijn eigenlijk voorbereidende commissies. Vaak gaan de raadsvoorstellen daarna als ‘hamerstuk’ naar de gemeenteraad, zodat in de raadsvergadering alleen de belangrijkste en soms ook de gevoeligste stukken overblijven om te bespreken.  Daarmee perken we de lengte van raadsvergaderingen dus behoorlijk in en dat gaat in Werkendam best goed.

Door in de commissies effectief het voorwerk te doen, voorkom je dat dus. Dat betekent: in de commissies gáát het ergens over; in de raad uiteraard ook, maar de commissies zijn er specifiek voor bedoeld om inhoudelijk de diepte in te gaan. Maar ook om als fractie je politieke stellingname eventueel iets bij te schaven. Of om te kijken welk compromis het meest kansrijk is. Want politiek is natuurlijk geen loopgravenoorlog – althans, zo zou het niet moeten zijn. Tenzij het over voor partijen heel principiële zaken gaat, probeer je als partijen naar elkaar toe te bewegen.

Dat betekent dus dat een burgerlid in de raadscommissie alles mag wat een raadslid ook mag, omdat ze op dat moment beiden commissielid zijn. Een burgerlid mag echter niet stemmen over raadsvoorstellen, maar dat gebeurt dan ook niet in de commissievergaderingen.  Dat is voorbehouden aan de raadsvergaderingen, waar alleen de raadsleden aan deelnemen. Wij zitten dan netjes op de publieke tribune, als echte burgers. Vandaar ook: burgerleden.

Kortom, commissievergaderingen zijn echte bespreekvergaderingen. Ze kunnen soms lang duren, soms kort, of soms helemaal vervallen, zoals onlangs de raadscommissie
Inwoners.

Maar de commissievergadering is natuurlijk het sluitstuk van een proces; als burgerleden zijn we bij het hele proces betrokken. Voorafgaand aan elke vergadercyclus, komen we als fractie bij elkaar om te vergaderen over de raadsstukken. We bepalen daar onze positie, we wikken en wegen soms, want het is niet altijd zwart of wit.  Meestal overleg ik daarna met m’n medecommissielid, in mijn geval Peter Noordergraaf, over welke insteek we kiezen in de commissievergadering. Ook spreken we af wie het woord voert over welk thema.

Na de commissievergadering is mijn taak als burgerlid eigenlijk afgelopen, in elk geval voor deze vergaderronde. Want twee weken na de commissievergadering, vindt de raadsvergadering plaats. Daar worden voorstellen eventueel nogmaals besproken en vervolgens afgehamerd. Zodat de cyclus weer van voren kan beginnen.

* Tijdens het programma Gast van de Raad, d.d. 25-10, heb ik deze toelichting gegeven op de werkzaamheden van een burgerlid.


Zestig jaar kijkkast en een krakend bastion

Zestig jaar kijkt Nederland ‘televisie’ en zestig jaar wijst de gereformeerde gezindte de kijkkast van de duivel af. Maar de scheuren in het bastion om de televisie worden steeds meer zichtbaar. Nog even, en het stort in. Want reformatorisch Nederland kijkt inmiddels even lustig mee naar de beeldbuis. Via internet weliswaar, maar toch… Niemand minder dan Andries Knevel verwoordde het afgelopen zaterdag treffend in een tweegesprek met Bas van der Vlies. “Dat de gereformeerde gezindte nu massaal tv-kijkt via internet is voor mij geen verrassing. De bezinning ontbrak.” Nou ja, er was wel bezinning, maar die was zonder al teveel nuance. Televisie brengt rotzooi. Dus wijzen we het tv-gebruik af.

Nog steeds brengen opiniemakers in de gereformeerde gezindte deze boodschap. Zo pleit ds. Egas in het Reformatorisch Dagblad ervoor om tv-gebruik, óók via internet, radicaal af te wijzen. “Ik zie geen principieel verschil tussen gewoon tv-kijken en tv-kijken via internet. Dus als het één censurabel is, dan ook het ander. De bezwaren tegen de tv staan wat mij betreft nog steeds rechtovereind.” Volgens hem moet de gereformeerde gezindte, net als vanouds, het gebruik van tv volledig en zonder uitzondering afwijzen. Strikt logisch geredeneerd heeft Egas gelijk; hij is in ieder geval consequent en ik zal hem ook niet willen beschuldigen van gebrek aan bezinning. Maar zijn standpunt is niet realistisch en bovendien niet fair.

Vooraf dit: ik zou niet willen pleiten voor ongeremd tv-gebruik. Allerlei onderzoeken, ook uit niet-christelijke hoek, tonen aan of wijzen in de richting dat overmatig tv-kijken schadelijk kan zijn op tal van manieren. Zonder onderzoek kunnen we ook wel constateren dat de tv niet bijdraagt aan een gezellig en sociaal gezinsleven. En of het bijdraagt aan de ontwikkeling van het kind om ze, ter verpozing van hun vrije tijd, achter allerlei zinloze tv-programma’s te zetten, kunnen we ook zonder  wetenschappelijke inzichten ernstig betwijfelen. Maar dat is de vraag en het discussiepunt niet. Zijn er legitieme overwegingen om zonder meer het gebruik van televisie, al dan niet via internet, af te wijzen?

Naar mijn mening is het antwoord ‘nee’. Zeker nu we dankzij internet zelf de keuze kunnen maken welke programma’s we willen zien, is het mogelijk om verantwoord gebruik te maken van televisie(programma’s). Tenzij we van mening zijn dat bewegend beeld an sich schadelijk, fout of zondig is, zullen we televisieprogramma’s inhoudelijk moeten beoordelen. Zoals we alles – als het goed is – eerlijk en met een zuiver geweten beoordelen en dienovereenkomstig handelen. Eerlijk is eerlijk, kritiekloos kijken is dan niet eenvoudig, want de meeste omroepen, uitgezonderd de Evangelische Omroep, staan niet bekend om hun verwantschap met een christelijke levenshouding. Maar een ‘verbod’ op televisiekijken zou ook een afwijzing van alle actualiteiten- en nieuwsprogramma’s betekenen. Dat mag, met het argument dat deze programma’s ideologisch (niet-christelijk) gekleurd zijn, maar dan moeten we ook het lezen van niet-christelijke media als NRC, AD, Elsevier etc. per definitie afkeuren. Voor iemand met een brede, maatschappelijke interesse een onmogelijk maar bovendien onnodige opgave. Ook deze afwijzing mag overigens, maar is niet realistisch, niet fair en een teken van zwakte. Van zwakte omdat het een vorm van wereldmijding is, waar we nooit sterker van worden en die we zeker niet elkaar op mogen leggen.

Juist in de confrontatie met andere gedachten, meningen en invloeden, zal onze eigen overtuiging sterker worden. Als er althans een gewortelde overtuiging is… Dat reformatorische gezinnen de televisie uit huis houden, vind ik een prima instelling waar niemand slechter van wordt. Maar laat de ‘beeldbuis’ en haar programma’s alstublieft geen fenomeen zijn waar we zonder nuance afstand van nemen omdat het zo gevaarlijk is. Ja, de televisie is gevaarlijk, deze maatschappij is gevaarlijk en heel veel denkbeelden zijn gevaarlijk, zeker vanuit christelijk perspectief. Maar er zijn betere methoden om ons tegen gevaren te wapenen dan een rucksichtslos afwijzen van alles wat  in potentie gevaarlijk is. Om het met Paulus te zeggen: “Anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan.” En zo is het maar net.


Christelijke kamerzetels zijn kostbaar, wees er zuinig op…

Hoe nu verder tussen de ChristenUnie en de SGP. Sinds ’23 mei’ overheerst bij mij vooral de gedachte: ‘Dit komt nooit meer goed’. Maar dat kan niet waar zijn..

Als trouw en kritisch-betrokken SGP-lid zal ik niet verhullen dat het stemgedrag van de SGP mij verbijsterd heeft. Terwijl in verkiezingstijd ernstig gewaarschuwd wordt tegen een strategische stem op het CDA, koos de SGP omwille van de macht (de term ‘sleutelpositie’ zegt genoeg) voor een gedeeltelijke stem op het CDA. Wat mij betreft is de SGP over de schreef gegaan. Het menselijke en berekenende, waar de SGP normaal gesproken wars van is, kende afgelopen week geen grenzen.

Ik zal me niet mengen in de vraag en eindeloze discussie wie nu wie ‘gedumpt’ of in de steek gelaten heeft. Het is een proces geweest van jaren dat wederzijds, stilzwijgend is goedgekeurd en op sommige momenten zelfs gestimuleerd. De vraag wie het meeste recht had op de restzetel is ook niet relevant en eigenlijk beschamend. Met de minste-zijn heeft het allemaal weinig te maken, dat is duidelijk.

Belangrijker is de vraag wie gediend is met het steeds verder uit elkaar groeien van ChristenUnie en SGP. Beide partijen hebben elkaar nodig klinkt als een tegeltjeswijsheid, maar is daardoor niet minder waar. Ik geloof dat christelijke politiek wel degelijk iets te zeggen heeft en zeer gewenst is. Maar dan moeten we wel naar elkaar willen luisteren en het zwaarst laten wegen wat ook echt het zwaarst weegt.

Christelijke politiek heeft meerdere dimensies. Ik ben te weinig analyticus om deze dimensies tot in detail te definiëren en te benoemen. Maar in ieder geval is er een praktische en een ideologische component. De praktische zijde is breed en veelkleurig. We zien dat ChristenUnie en SGP in praktische zin vaak verschillende keuzes maken. Dat lijkt me geen probleem en daar behoeft de broederband niet op stuk te lopen. De SGP helt wat sterker naar de VVD en de ChristenUnie naar de PvdA. Prima. Laten we alstublieft geen concrete partijstandpunten of politiek stemgedrag beoordelen aan de hand van ons beeld van ‘christelijke politiek’. Maar er is ook een ideologische zijde. Ik durf de stelling te verdedigen dat ChristenUnie en SGP ideologisch gezien vele malen dichter bij elkaar staan, dan SGP en CDA. De ideologische kant van christelijke politiek heeft alles te maken met de geestelijke ontwikkeling van ons land en de morele achteruitgang, de ‘strijd der geesten’. Wie hoort het CDA daar ooit nog over?

ChristenUnie en SGP vinden elkaar op dit terrein en zien voortdurend de vrijheid om op orthodoxe wijze het geloof te belijden en te beleven, in de knel komen. Het is zoals Kees van der Staaij tijdens de formatieperiode zei: ‘De paarse meerderheid is er al’. We weten allemaal hoe het wensenlijstje van partijen als D66, GroenLinks en PvdA, maar ook van de VVD, eruit ziet. Laten ChristenUnie en SGP daarom geen korte termijn-politiek bedrijven, die soms slechts voor de bühne is en gebaseerd op politiek machtshonger, maar heb oog voor de langere termijn en toekomstige ontwikkelingen die vandaag al in gang gezet worden. De christelijke Kamerzetels zijn kostbaar geworden…wees er daarom zuinig op!


Sociale media – net zo gevaarlijk als het echte leven

Het blijft tobben met die social media. Hoewel voor menigeen een bron van inspiratie en gezelligheid, blijft keer op keer de proteststem klinken. Of noem het: een tegengeluid. Maar in ieder geval blijven de sociale media voortdurend onder vuur liggen. Mijn lijfkrant, het Reformatorisch Dagblad, biedt een welwillend podium aan deze geluiden. Hun goed recht natuurlijk en mijns inziens geen enkel probleem. Maar natuurlijk mag ik er dan het mijne van vinden – en schrijven.

Begin februari opende journalist Jacco van der Knijff in een column de aanval op politici, publicisten, presentatoren en predikanten, maar indirect natuurlijk op elke actieve twitteraar. “Blijkbaar is de nieuwe mode dat je, als je mee wilt tellen, ervoor moet zorgen dat je zo veel mogelijk volgers krijgt en per dag zo veel mogelijk tweets de wereld in helpt.” Iedereen die een beetje bekend is met het fenomeen twitter, zal deze conclusie met enige vervreemding en verbazing lezen. Niet omdat er geen mensen zijn die veel twitterberichten plaatsen; ook niet omdat er géén mensen zijn die kicken op veel volgers. Maar Van der Knijff viel in de bekende valkuil om op basis van een karikatuur het fenomeen Twitter kritisch te benaderen.  Maar afijn, dat zij hem vergeven.

Filosofe, literatuurwetenschapster en schrijfster Stine Jensen pakte het serieuzer aan en schreef ter gelegenheid van de Maand van de Filosofie een essay, getiteld  ‘Echte vrienden, over intimiteit in tijden van Facebook, GeenStijl en WikiLeaks’. Het RD wijdde er een kaderartikel aan. Volgens Jensen holt een fenomeen als Facebook het begrip vriendschap uit. “Echte vrienden houden elkaar een spiegel voor en wijzen elkaar op zwakheden, maar dat soort echte vriendschappen levert Facebook niet op. Wel een heleboel tijdrovend gebabbel.” Op Facebook koesteren we het kind in onszelf, meent Jensen.

En gisteren wees de hoofdcommentator van het Reformatorisch Dagblad (opnieuw) op de schaduwzijden van sociale media. De krant – die nog maar heel recent enkele nieuwe twitteraccounts lanceerde – constateert terecht: “Wie oog heeft voor de bezwaren, kan sociale media op allerlei manieren nuttig gebruiken”.  Maar deze opmerking vormt slechts de voorbode van forse kritiek . “Sociale media veranderen het leven in een vitrine die niet alleen een einde maakt aan privacy maar waarin ook geborgenheid en Bijbelse waarden en normen onder druk komen te staan, door dat wat je vrienden terugkrabbelen en tweeten.” Het commentaar sluit af door gebruik van sociale media weg te zetten als egotripperij en imagopoetsen. Niet mis voor een krant waarvan een groot deel van de medewerkers actief is op sociale media.

Kortom: sociale media dragen bij aan egotripperij, uitholling van echte vriendschappen en relaties, doen afbreuk aan noodzakelijk privacy en zetten geborgenheid en (Bijbelse) waarden en normen onder druk, aldus de communis opinio.

Met enig recht kan ik mezelf een vrij actief gebruiker van sociale media noemen. Ik weet dus waarover ik spreek. Maar de genoemde schaduwzijden en kritiekpunten herken ik niet.  Grotendeels zijn ze gebaseerd op een generalisering van enkele problemen die inderdaad kunnen voorkomen. Egotripperij, uitholling van echte vriendschappen en verlies van privacy zijn gebreken van de mensheid die ook buiten de sociale media hoogtij vieren. Als we dan toch met een schuin oogje en een scheef gezicht naar de ontwikkelingen van de laatste decennia willen kijken – de digitalisering in de breedste zin van het woord – dan ligt dáár veel eerder de bron van het probleem. De komst van internet heeft zeker niet alleen pais en vree gebracht, maar ons afhankelijk gemaakt van een onpersoonlijk medium waar we vaak blindelings op vertrouwen. Een medium dat ook nog eens veel tijd opslokt.  Het fenomeen internet biedt daarnaast de mogelijkheid om van minuut tot minuut geïnformeerd te worden. Niet iedereen kan daar goed mee omgaan en er ontstaat zoiets als ‘verslaving’, ook wel infobesitas genoemd.

Dat is het reële gevaar. Sociale media maken deel uit van het wereldwijde web en kunnen dus ook verslavend werken. Maar zoals het internet van onschatbare waarde is, mits je het verstandig gebruikt, kunnen sociale media ook enorm veel betekenis hebben, als je het maar verstandig gebruikt.

Sociale media worden niet voor niets zó genoemd. Facebook, Hyves en Twitter zijn middelen om met elkaar in contact te komen en om nieuwe mensen te leren kennen. Sociale middelen. Anno 1900 deed men dat per postduif, anno 2011 via twitter (de term betekent niet voor niets ‘kwetteren’). Onder scholieren zijn Hyves en MSN mateloos populair. Gek is dat niet.  Wie vijf dagen naar school gaat, elke avond twee uur huiswerk heeft én zijn studie serieus neemt, kan niet elke avond socializen in real life. Hetzelfde geldt eigenlijk voor iedereen met dagelijkse verplichtingen in de vorm van studie of werk en enkele (vrijwillige) nevenactiviteiten. Dankzij sociale media is gezelligheid ‘tussen de bedrijven door’ mogelijk. Of dat een uitholling van echte vriendschappen is? Ik geloof er niets van. Sociale media bieden mogelijkheden op momenten waar voor ‘echte vriendschappen’ even geen tijd en gelegenheid is. En het leuke is dat sociale media juist nieuwe vriendschappen en real life-contacten opleveren. Nee, geen digitale vriendschappen, maar heel echte, zoals die er ook waren in het pre-digitale tijdperk.

Ja, narcistische, egocentrische tweeps zijn er zeker. Buiten de sfeer van sociale media trouwens net zo goed. Het zit immers diep in ons om onszelf belangrijk te vinden? Aantasting privacy? Daar ben ik echt zélf bij. Overigens ook bij de wijze waarop ik mezelf etaleer op Facebook, Hyves of Twitter. Persoonlijke verantwoordelijkheid is leidend voor de wijze waarop iemand op sociale media actief is. Net als in het ‘echte leven’. De werkelijkheid is niet altijd eenvoudig, maar het wordt nu wel heel moeilijk gemaakt. Sociale media zijn net zo gevaarlijk als het echte leven. Maar dat mijden we toch ook niet?


Afwijzen Jan Siebelink levert niemand iets op

Ik kan me de verbazing van Jan Siebelink voorstellen. Je zou maar uitgenodigd worden om in een lokale bibliotheek iets te vertellen over een boek – een boek waarin je veel van jezelf hebt gelegd – en vervolgens moeten horen van de wethouder ter plaatse (!) dat je eigenlijk niet welkom bent. In Urk kan dat blijkbaar. Wethouder Post (SGP) vraagt zich af of “het wel verstandig zou zijn om te komen”. Hij heeft namelijk veel mensen horen vertellen over het boek en een aantal recensies gelezen, zo vertelde hij in de  uitzending van UitgesprokenEO van dinsdag 8 maart.

In de uitzending van UitgesprokenEO spreekt Siebelink zijn verbazing uit over deze Urker afwijzing. “Ik ben jaren aan een stuk door het land gereisd. Ik heb in vele bibliotheken en kerkzalen geweest; ook in bijvoorbeeld de Alblasserwaard en Hoekschewaard, waar ook heel strenge gemeentes zijn. Daar ben ik welkom geweest en wel zeer welkom.” In reformatorische kring heeft men hem niet geschuwd. Hij sprak bijvoorbeeld op een Kom Ook-avond en werd uitgenodigd in een 6VWO-klas op het Calvijn College te Goes.

Kortom, Jan Siebelink wordt naar mijn beleving met welwillendheid tegemoet getreden in de gereformeerde gezindte. Natuurlijk discussiëren we over de vraag of de weergave van het geloof van Siebelink’s vader recht doet aan de geloofsbeleving van de Pauweanen – terecht overigens. Vanzelfsprekend roepen we op om het boek kritisch te lezen – wie heeft daar nou moeite mee. Maar grosso modo kan Siebelink een potje breken. En dat is niet verwonderlijk. Siebelink schrijft met grote gevoeligheid en als het ware met ingehouden adem over het geloof van zijn vader. Een geloof waar hij diep in zijn hart jaloers op is. Nog steeds. Op de avond van de ‘Kom Ook-groep’ zei hij enkele jaren terug: “Ik heb geprobeerd in zijn hoofd te kruipen om te weten wat zijn bekering inhield. Ik was er ook wel een beetje jaloers op. Omdat hij Gods stem heeft gehoord, en ik niet, of nog niet. […] Ik hoop nog steeds iets van de extase van mijn vader mee te maken. Dat is een diep verlangen in mij.” Bepaald geen uitlatingen die horen bij het type ‘gefrustreerde ex-gereformeerden’.

Soms lijkt het alsof Siebelink meer begrepen heeft van de kern van het geloof dan veel belijdende gelovigen. Siebelink is teleurgesteld in traditionele kerken, heeft afscheid genomen van het geloof van zijn vader en bidt niet meer voor zijn eten. Maar Siebelink is nog steeds op zoek naar God en schaamt zich daar niet voor. “Ik ben iemand die, ondanks alle twijfel, wil aannemen dat er op Golgotha iets wezenlijks voor de mensheid is gebeurd.”

Het fenomeen ‘Jan Siebelink’ toont aan dat Paulus gelijk heeft: God is niet ver van een ieder van ons. “Op mijn graf zou ik wel graag willen zetten: Dit weet ik. God is bij mij”, aldus Siebelink in de glossy Antoine. Adembenemend en verbijsterend. Siebelink roept hiermee veel vragen op. Maar een botte afwijzing is wel de minst goede manier om antwoord op deze vragen te krijgen. En het biedt de zoekende Siebelink ook weinig antwoorden op zíjn vragen.


Over verdwenen winkels en een brede blik

De laatste maanden ben ik bijzonder op de historische toer. Ik hop ik van het ene adres naar het andere. Ik spreek met leuke mensen over winkels, over vroeger, over koekskes en over vergane glorie. Over krap een jaar geeft de Historische Vereniging Werkendam en De Werken c.a. een jubileumboek uit over verdwenen winkels. Het 20-jarig bestaan wordt ondermeer gevierd met de uitgave van een boek waaraan ik mijn medewerking mag verlenen.

Geweldig om te ontdekken dat veel mensen graag willen praten over het verleden. Al pratend zie je ze terugkeren naar vroeger dagen; toen alles nog mooi, fatsoenlijk en eerlijk was, toen de wereld nog overzichtelijk leek. Om vervolgens met gevoel voor nuance en eufemisme te concluderen dat het niet alleen maar rozengeur en maneschijn was. Want het leven was hard. Ook toen al.

Maar wat jammer toch dat al deze mensen pas op oudere leeftijd de historische sensatie ervaren. In het verglijden der tijden was hun blik alleen op het heden, hier en nu gericht. Slechts een enkeling – in de beeldvorming de wereldvreemde typetjes – durft al veel eerder de uitdaging aan om zich te laten verrassen door het verleden. Dat maakt historische interesse voor een jongere als ik tot een eenzame business. Ter illustratie: het is niet voor het eerst dat mensen hun deur opendoen en met een verbaasde blik tegen me zeggen: jou had ik niet verwacht. Tja, daar sta je dan.

Wat jammer dat jongeren en jonge mensen niet eerder geïnteresseerd zijn in de sporen uit het verleden. Want relativeren kun je leren, bijvoorbeeld door bestudering van het verleden . Ja, en dan kun je zélfs met een onderzoek naar verdwenen winkels je blik verbreden. Doen!


Geschiedenis, identiteit en christen-zijn

In het Reformatorisch Dagblad van 5 januari stond een interessant en prikkelend interview met Timo Slootweg, rechtsfilosoof aan de Universiteit van Leiden, over de christen, zijn identiteit en in samenhang daarmee zijn verhouding tot de geschiedenis. Het prikkelende artikel riep herkenning en instemming op. Maar het confronteert me ook met mijn eigen vragen ten aanzien van deze thematiek. Ik citeer een gedeelte uit het interview.

Hij [Slootweg, KV] noemt het denken in christelijke „identiteit” een dubieus gebeuren. „Een christen verhoudt zich tot God en de naaste, dáárin is zijn identiteit gelegen. Deze verhouding kan zich op elk moment weer vernieuwen.” Slootweg ziet dat mensen in de moderne tijd geborgenheid zoeken, ook in de geschiedenis. „Men wil zich spiegelen aan een nationaal verleden. Vanuit christelijk perspectief moet je daar kanttekeningen bij plaatsen. Een christen zoekt rust bij God.”

In reformatorische kringen – waartoe ik mezelf reken – is het gangbaar om te spreken over ons (Nederlandse) verleden dat onze hedendaagse identiteit zou bepalen, ook nu nog, anno 2011. Je hoeft daaroverigens niet eens reformatorisch voor te zijn. Geert Wilders roept over de joods-christelijke wortels van onze cultuur en definieert daarmee zijn opvatting van de Nederlandse identiteit. In de politieke denkrichting van het conservatisme wordt aan de identiteit van het Vaderland grote waarde gehecht en worden ook politieke consequenties verbonden.

Gezien mijn achtergrond als afgestudeerd historicus (ja, zo heet dat nu eenmaal) heb ik wel iets met geschiedenis. Ik voel ook de neiging om in de beschouwing van ons verleden, een bepaalde richting voor het heden te zoeken. Je kunt immers je traditie niet zomaar over boord zetten. Niet voor niets had ik in de kop van mijn vorige blog de bekende spreuk staan: ‘Wie niet weet waar hij vandaan komt, weet ook niet waar hij heengaat’. Het leidt naar mijn idee onherroepelijk tot arrogantie als de historische wortels van bepaalde standpunten niet meer onderkend worden. Je ziet dat nu bijvoorbeeld bij het vrouwenstandpunt van de SGP. Prima, als mensen het een hopeloos achterhaald standpunt vinden, want het is inderdaad een oud standpunt. Maar juist dat moet ook tot bescheidenheid nopen. We weten het niet per se beter, maar we doen het hooguit anders.

Tegelijkertijd roept de gedachte van een eigen identiteit bij christenen onherroepelijk spanningen op. Word je identiteit nu bepaald door de loop van de geschiedenis, of door de fundamenten van je geloofsovertuiging. Ik denk het laatste. Dat relativeert tegelijkertijd dus de wijze waarop je ten opzichte van je (vaderlandse) identiteit staat. Je hebt op zijn minst meerdere identiteiten. Kenmerkend voor het christelijk geloof is tenslotte dat het grensoverschrijdend is en een band smeed met christenen uit alle ‘geslachten, volken, talen en naties’.

Persoonlijk vind ik het daardoor bijzonder lastig om de Nederlandse cultuur en traditie een grote rol te laten spelen in politieke stellingnames. Traditioneel als ik ben raakt het mij, maar vanuit christelijk perspectief geloof  ik dat we ons moeten hoeden voor ‘verafgoding’ van cultuur en tradities. De visie van Slootweg biedt daartoe goede handreikingen.

Het volledige interview is hier te lezen.


Een gelukkig Nieuwjaar voor de PvdA?

Niemand hoeft momenteel jaloers te zijn op de PvdA. Na een slechte campagne en geklungel tijdens de formatie, slaagt de partij er nog steeds niet in om de publieke opinie in haar voordeel te beïnvloeden. Waar zijn de communicatiestrategen bij de sociaal-democraten?! Iedereen die de campagne op de voet volgde, zal het zich nog herinneren. Job Cohen, welwillend kritisch ondervraagd door Twan Huys van het tv-programma Nova. Hoe hij daar zat: stram en stijf, hakkelend en stotterend, een beetje gelaten zelfs. Eenvoudige vragen naar simpele feitjes wist hij niet eens te beantwoorden. Niet dat deze feiten – hoe groot de staatsschuld is bijvoorbeeld – tot iemands basiskennis moeten behoren, maar in een verkiezingscampagne waar de staatsfinanciën ongeveer het belangrijkste thema vormen, zou je verwachten dat het campagne- en communicatieteam haar grote man grondig had voorbereid. Echter, niets van dat alles. Maar dat was nog maar de eerste blunder. Daarna volgde geen enkel debat waarin Job Cohen schitterde. Ja hooguit door afwezigheid. Het zat er simpelweg niet in en dat kun je de communicatiestrategen natuurlijk niet verwijten. Daarom mocht het een wonder heten dat, ondanks de beroerde peilingen, de PvdA nog zo goed scoorde bij de verkiezingen. Slechts ternauwernood wist Mark Rutte zijn rode rivaal te verslaan. Toen volgde de formatie. Op een cruciaal moment, toen eigenlijk al twee van de drie meest serieuze opties afgeschoten waren (namelijk ‘paars’ en ‘rechts’), blokkeerde Job Cohen de middencoalitie. Naar zijn zeggen – achteraf – omdat de optie ‘over rechts’ nog steeds boven de markt zweefde. Strikt genomen was dit juist, maar vanuit strategisch oogpunt dom en zeer ontactisch. In de beeldvorming was Cohen de man geworden die een ‘fatsoenlijke’ coalitie blokkeerde en Mark Rutte aan het werk zette om een ‘knetterrechts’ kabinet te vormen. Een goede communicatiestrateeg achter Job Cohen had deze misser kunnen voorkomen. Dan zou de kans inderdaad groot geweest zijn dat de onderhandelingen over een middencoalitie ook zouden stranden vanwege de onwil van Rutte en Verhagen. Maar Cohen was dan gevrijwaard gebleven van het beeld dat hij een rechts kabinet met de PVV mogelijk heeft gemaakt. Maar niets van dat alles. Vervolgens is het kabinet geïnstalleerd en heeft de oppositie haar eerste krachtmeting met de coalitie gehad. De strijd om het leiderschap van de oppositie is in volle gang. Job Cohen, als leider van de grootste fractie, zou daarvoor het meest geschikt zijn. Maar wat gebeurt er? Het blijft oorverdovend stil. De SP organiseert in Den Bosch een manifestatie rond het thema ‘Armoede werkt niet’. Heel concreet, helder en duidelijk. Weliswaar is Cohen aanwezig, maar helaas voor Job steelt Emile de kroon. Korte tijd later roept Femke Halsema – nee weer niet Job Cohen – op tot een progressieve samenwerking tussen haar partij en PvdA en D66, waarbij ze en passant de PvdA kapittelt omdat de partij geen keuze maakt tussen conservatief en progressief socialisme. Half december komt Job Cohen dan eindelijk weer in beeld. Eerst scoort hij nog even punten (maar niet heus) omdat hij een vergelijking trekt tussen het lot van moslims anno 2010 en dat van joden in de jaren dertig. Een uitspraak waar niet alleen rechts, maar ook minder rechts over valt en haar ergernis over uitspreekt. Maar het zij hem vergeven, want hij organiseert ook een manifestatie. ‘Een nieuw jaar, een ander Nederland’. Je zou dan een thema verwachten dat klinkt als een klok en waar iedereen zijn hart bij warmt. Maar nee, Cohen wil samen de schouders zetten onder ‘een ander Nederland dan waar we nu op af stevenen’. Om de blamage nog groter te maken, koos het campagneteam van de PvdA voor locatie ‘De Brakke Grond’ in Amsterdam. Ziet u ook de krantenkoppen al, daags na de manifestatie? ‘Zieltogende manifestatie op Brakke Grond’. Of zoiets. Om nog eens een dikke streep te zetten onder zijn non-behendigheid, deelt Job Cohen op de op één na laatste dag van het jaar desgevraagd mee dat hij écht niet van plan is op te stappen, ook niet als zijn partij verliest bij de Provinciale Statenverkiezingen. En die kans is groot, want de PvdA heeft momenteel geen aantrekkelijk en sprankelend verhaal. Omdat Cohen nooit verder komt dan ‘het gaat niet goed met Nederland’, ‘dit is niet het Nederland dat ik voor ogen heb’ en ‘ik wil streven naar een eerlijke en fatsoenlijke samenleving’, is het enige nieuwswaardige uit een interview – bijvoorbeeld – dat Job Cohen aanblijft als partijleider. Ik kan me voorstellen dat de PvdA ook aan goede voornemens doet. Misschien zou één van de goede voornemens kunnen zijn om een communicatiestrateeg aan het werk te zetten die ervoor zorgt dat de publieke opinie weer bespeeld wordt. Zoals de SP dat wel voor elkaar weet te krijgen. Kortom, zorg eens voor een andere toekomst dan waar de partij nu op afstevent. Dan wordt het misschien weer een gelukkig Nieuwjaar voor de PvdA en haar geplaagde leider.


Keep calm, it’s just me

Welkom op deze site. Ik schrijf over dat wat me aanspreekt, enthousiast maakt of juist irriteert. Ik schrijf maar af en toe. Enig cynisme is me daarbij niet vreemd. Accepteer het, wen eraan, of blijf hier anders vandaan. Opmerkingen, tips of bijval is altijd welkom. Snoeiharde kritiek trouwens ook. Maar bedenk wel: mijn soep wordt nooit zo heet gegeten als ze – in uw beleving – wordt opgediend. Keep calm, it’s just me.